Noorwegen is een ongeëvenaard wandelwalhalla, maar toch lijken veel toeristen enkel oog te hebben voor het illustere trio Trolltunga, Preikestolen en Kjeragbolten. Akkoord, die wandelingen zijn fenomenaal, de uitzichten zijn om van te duizelen en de kiekjes zijn instant Instagram-hits. Toch heeft het feeërieke fjordenland nog een vigintiljoen alternatieve wandelingen die minder toeristisch, maar even indrukwekkend zijn. Hierbij lijst ik onze vijf vijfsterrenhikes op, waar één constante continu klatert: een absolute abundantie aan wonderlijke watervallen.
1️⃣ Stølsheimen – zonder pottenkijkers glooien tussen continu nieuwe werelden
Beginnen doen we in een van Noorwegens allerbest bewaarde geheimen: het beschermde landschap van Stølsheimen. Net ten zuiden van het immense Sognefjord rijst dit magische heuvelgebied op tot 1.300 meter boven zeeniveau. Een onmetelijk glooiend landschap vol rivieren, meren, watervallen, afwisselend groene oases, dan weer zwartbruine rotsen en hier en daar zelfs ’s zomers sneeuwperkjes. Wat het gebied nog mooier maakt, is dat het zo ongerept is. Tijdens onze tweedaagse wandeling kwamen wij gedurende onze eerste dag geen levende ziel tegen (buiten veel nieuwsgierige schapen) en op de tweede dag nog geen handvol Noren. Voor buitenlandse toeristen is dit nagenoeg onontgonnen terrein. Volstrekt onterecht, want deze regio bekoorde ons het allermeest, maar des te genoeglijk om je alleen in deze sprookjeswereld te mogen wanen.
Zelfs de weg naar de startplaats van deze absoluut aan te raden tweedaagse hike, is een avontuur op zich. Aan het Skjelingavatnet-meer verlaat je de 13-weg (van Voss naar Vik), waarna je twintig minuten over een steenslagbaantje laveert tot je tussen twee meertjes de natuurlijke Bjergane-parkeerplaats bereikt. Van hieruit begint de 38 kilometer lange (met rode T’s) gemarkeerde route Bjergane – Selhamar – Åsedalen – Rappen – Bjergane, waarbij de tussenstops Selhamar en Åsedalen geëquipeerde hutten van de Noorse Trekking Association zijn, terwijl Rappen een zomerboerderij is.
Na een pittige kuitenbijter richting de eerste sneeuw (jawel, Jan De Wilde, we wrijven onze ogen uit), opent het wonderbaarlijk weidse heuvelspektakel zich meteen. Aan je linkerflank slingert een rivier magisch mooi door het groen naar de einder, terwijl rechts de prominente Raudberg bruin afsteekt tegen de omgeving. Na negen kilometer bereik je op een landengte tussen twee meren de DNT-hut Selhamar, waar je bij zeldzaam goed weer de plaatselijke kano kan lenen voor een vaarpartijtje. Het wandelrestant van de eerste dag is virtuoos: klauteren over door de Raudberg verstoten rotsblokken, enkele rivieroversteken (nat word je sowieso!) en vervolgens een chaleureuze campingspot opbouwen. Wij kiezen voor een beschut plekje boven het Geitdalsvatnet, waar een wederom wondermooie waterval ons in slaap wiegt.
Ook het tweede Stølsheimen-luik ontgoochelt geen seconde. Na een gezapige opwarmer langs enkele meren in het dal (hoewel gezapig relatief is in dit drassige landschap) begint bij de Åsedalen-hut een heerlijke klim waar je 350 meter stijgt in de onmiddellijke nabijheid van een waterval die vanop dat beoogde hoogplateau naar beneden kalefatert. Bovenop geniet je enkele kilometers lang van een open rotslandschap dat als ideale verrekijker richting het met nevelen doorweven Sognefjord opereert. Bij de idyllisch gelegen zomerboerderij Rappen (die vroeger klaarblijkelijk veel meer bedrijvigheid uitstraalde dan nu) duik je de laatste stonden door groene oases en rivierdalen in. Deze ongerepte natuurpracht zonder toeristenstromen is jouïsseren pur sang!
Waar kan ik het GPX-bestand van deze wandeling vinden?
2️⃣ Skomakarnibbå – fenomenaal boven het fjord, in je uppie
Je kan ervoor kiezen om als een dertien-in-een-dozijntoerist op Preikestolen 600 meter boven het Lysefjord te staan, omringd door tientallen anderen. Of je opteert 75 kilometer noordelijker voor Skomakarnibbå, waar je uiteindelijk op de Rots van de Schoenmaker 740 meter diep het Jøsenfjord ontwaart. Deze onontgonnen hike was onze Noorse opener, wegens het meest zuidelijk gelegen, maar wat voor één!
Na een ritje van een kronkelend kwartier vanuit Hjelmeland (waar je magnifiek kan kamperen met zicht op diverse fjordententakels) kan je parkeren aan het door schapen bewaakte Hagalivatnet-meer. De initiële groene loper is bekoorlijk vals plat, waarna je over een lengte van drie kilometer 500 heugelijke hoogtemeters voorgeschoteld krijgt. Langs en dwars over enkele kabbelende stroompjes klauter je het plateau op. Voor je boven bent, kruisen een moeras (dat soms wel, dan weer niet met houten vlonders gestut is) en een puntig priemende rots (waar je je op handen en voeten heel even langs een onbeschut stuk wurmt) het pad.
Eenmaal boven de bomengrens, gidsen struikjes en mossen je verder door een surreëel nat rotslandschap. Een hooggelegen panoramameertje leent zich tot een picknick en/of schuilen tegen de regen. Na een laatste V-beweging rond de fjordenklif baan je je een wonderlijke weg naar de Rots van de Schoenmaker en de nog iets hoger gelegen inuksuk. Het Jøsenfjord en vele andere fjordenarmen duizelen prachtig in de diepte en verte. Een wandelopener om U tegen te zeggen!
Waar kan ik het GPX-bestand van deze wandeling vinden?
3️⃣ West-Hardangervidda: alternatieve koningsroute, met grootse waterval als epicentrum
Het hoogplateau van Hardangervidda mag onder geen enkel beding ontbreken in je Noorse reisplanning. Het is natuurpracht en -kracht van de zuiverste soort, waar zich op 1.000 meter boven zeeniveau opeens een nagelnieuwe wereld opstapelt. Je kan dat oorbare oord vanaf talloze richtingen bedwingen. Wij kiezen voor uitvalsbasis Lofthus, een boomgaardbastion dat vruchtbaar tussen het Sørfjord en West-Hardangervidda geprangd is. Vanop onze campingspot hebben we niet enkel een geprivilegieerd zicht op het fjord, maar bovenal ook op de Skrikjofossen-waterval, die zich in twee hectometerhoge etages vanop het hoogplateau naar beneden stort.
Die Skrikjofossen-waterval vormt het letterlijke hoogtepunt van onze dagvullende Hardangerviddahike (van 20 kilometer), want we stappen er letterlijk overheen net voor ze zich over de plateaurand uitstort. Voor het zover is, moet je natuurlijk eerst het hoogplateau op, goed voor een klimmetje van 100 meter boven zeeniveau naar een kilometer boven zeeniveau. Dat klimmende decor is enig: laaggelegen appelgaarden, steile bospaadjes die loodrecht het zenit opzoeken (neem die leuke kuitenbijters, niet de serviceweg eromheen), uitgehouwen monnikstrappen (de Munketreppene) en een fjordenview vanuit het Nosi-arendsnest.
De verwelkoming bovenop Hardangervidda kan niet hartelijker zijn: de wilde Rjukan-waterval zegent je voor ze als Oppo-waterval helemaal de dromerige dieperik induikt. Terwijl je op adem komt van de beklimming, word je terstond de adem ontnomen. Gegarandeerd! Aan deze waterval heb je trailmatig drie opties: noordelijk daalt de Koninginnetrail weer af, zuidelijk ontdekt de Koningstrail het hart van Hardangervidda en rechts de Oppo-hangbrug over verkent een blauwgemarkeerd pad de bevallige (en watervallige) plateaurand. Wij nemen die blauwe afslag. Het is merkbaar de minst gangbare route, want de signalisatie is niet bijster legio en op de moerassige ondergrond is het soms speuren naar het gevormde pad. Foutlopen is echter schier onmogelijk, zolang je de klifrand blijft volgen.
Gedurende vier kilometer laaf je je hier fantastisch aan de eerder bezongen Rjukanwaterval, terwijl je tussen meertjes, over mossige rotsjes en enkele honderden meters effectief over de klifrichel voortschrijdt. Na die rigoureuze richelroede komt Skrikjofossen echt piepen. Hier zie je mooi hoe de relatief rustige plateaurivier plotsklaps als een malle over de rand valt en alzo voor een feestelijke neerwaartse aanblik zorgt. Geniaal om ’s ochtends nog vanuit kikvors- en nu vanuit vogelperspectief dit waterspektakel te aanschouwen. Voor de Skrikjofossen-oversteek zoek je best een voor jou comfortabel aanvoelende stek uit. Wij kiezen (net als de voetstappen voor ons) voor een plekje enkele tientallen meters links van de officieel uitgebaande crossing. Je schoenen zullen sowieso al nat zijn, dus over droge voeten hoef je niet te hoeden.
Na deze oversteek ligt Hardangervidda weer aan je voeten: zuidelijk vooruit doemen enkele besneeuwde toppen op (die beschermd worden door berggeiten), links wenken enkele grotere meren verleidelijk en rechts wuift de Kråkestien-wand je Hardangervidda af. Laat de aandacht niet verslappen, want deze steeds groener wordende Kråkestien-afdaling is niet van de poes. Wij maken er enkele keren kennis met de zompige grond. Wat extra nattigheid kan geen kwaad. Via Ullensvang laveer je ten slotte weder naar Lofthus, waar Skrikjofossen nog steeds onverstoorbaar mooi waarneembaar is.
Waar kan ik het GPX-bestand van deze wandeling vinden?
Als je meerdere dagen in West-Hardangervidda verblijft (doen!), loont het ook de moeite om vijftien minuten noordelijk te rijden naar Kinsarvik. Daar vind je een watervalwalhalla-hike. Op amper vijf kilometer klim je langs drie indrukwekkende watergiganten: Tveitafossen, Nyastølfossen en Nykkjesøyfossen. Zowel de watervallen als het pad zijn om bij te duizelen, qua uitzicht en qua steiltegraad. Terugkeren kan via dezelfde weg of via een breder kronkelende serviceweg.
4️⃣ Aurlandsdalen: driedaagse van hooggelegen niemandsland (via de sneeuw) door een ravissant rivierdal
Vraag aan de Noren wat hun favoriete meerdaagse hike is en de kans is groot dat ze Aurlandsdalen aanprijzen. Toch is deze driedaagse queeste allesbehalve toeristisch platgetreden. Dat de startplaats van deze 56 kilometer lange lijnwandeling niet supersimpel bereikbaar is, draagt daaraan bij. Richting de start nemen wij eerst de scenische treinroute van het übertoeristische Flåm naar Myrdal (ook de rit zelf is iets te toeristisch in onze ervaring, met zelfs een fotostop bij een waterval van dertien in een dozijn) en vervolgens de befaamde Bergen-trein tot de stop in Finse. Speciaal is Finse sowieso, want dit prachtige pietluttige plaatsje op 1.200 meter hoogte is enkel per trein, per fiets of te voet te bereiken.Automobilisten vangen hier bot. Aan de zuidoever van het Finsevatnet-meer kampeer je prachtig net onder de imposante Hardangerjøkulen-gletsjer, die het noordpunt van Hardangervidda markeert.
De driedaagse Aurlandsalen-hike gaat globaal in dalende lijn, maar de eerste etappe denkt daar anders over. Vanuit Finse is het eerst zes kilometer fameus fabuleus klimmen door een zowel groen, grijs als sneeuwwit waterige wereld, die zich het best als buitenaards laat omschrijven. Wij waren er begin september, laat in het seizoen, waardoor de sneeuwlapjes schaars waren. Wandel je er in het begin van de zomer, dan bedekt het witte deken een groot deel van deze klim. Tijdens de noordelijke afdaling worden de gletsjermeren steeds talrijker en het landschap eveneens weer mossiger, tot de Geiteryghytta je na 17 kilometer in de armen sluit.
Als wildkampeerders accelereren we nog vijf kilometer verder, terwijl de eerste impressies van het Aurlandsdal links voorbijglijden. Bij de Bolhovd-heuvel vinden we op een zeldzaam vlak richeltje een idyllische kampementspot. Als avondlijk aperootje is het een prachtige tip om die puist nog even op te hossen. Je zal het je niet beklagen.
Onze tweede etappe valt helaas letterlijk danig in het water. Immense regenbuien en felle windvlagen nemen ons de wind uit de zeilen. Waarschijnlijk gestuwd door die ongunstige factoren vinden we het landschap hier ook minder indrukwekkend: ietwat eentonig flaneer je op de heuvelkam door malle moddermassa’s. Het Aurlandsdal zelf blijft wel indrukwekkend, met zowel links als rechts fluks oprijzende kammen. Helaas ontsiert een hoogspanningslijn dat zicht enkele kilometers lang. Onze ietwat bedrukte stemming kantelt gelukkig weer goedhartig door een Sherlock Holmes-fanatieke barman in de Steinbergdalshytta, een tapdansende lemming (wiens oorlogsdansje eerder humoristisch dan angstaanjagend is) en een Scrabble-spektakelspel in de Aurlandsdalen Turisthytta, die als onderkomen ons kletsnatte tentje vervangt.
Van eentonigheid heb je gelukkig gedurende de derde en laatste wandeldag geen nanoseconde last. 17 dalende kilometers lang groeten watervalletjes in het steeds groener wordende dal je klaterend gedag. Deze laatste etappe volgt een imposante trail die al sinds de 14de eeuw door heuvelgrage boeren bestierd wordt. Gedynamiteerde rotsdoorgangen en door de snel stromende rivier uitgesleten kolkgaten loodsen je via enkele zomerboerderijen (waar de schapen nu hun eigen baas zijn) naar de fjordenfinish bij Vassbygdi. Beneden in de bewoonde wereld aangekomen, sijpelt nogmaals het besef binnen hoe duizelingwekkend divers en grillig de Noorse natuur door de era’s heen gevormd is.
Waar kan ik het GPX-bestand van deze wandeling vinden?
Eindigen doen we met een hyperhallucinant hoogtepunt, letterlijk het hoogste punt van Scandinavië. De Galdhøpiggen-beklimming is de minst verborgen parel in dit lijstje, want ’s zomers bedwingen dagelijks een honderdtal mensen de top. Toch verdient Galdhøpiggen zonder enige twijfel een lofzang, want de hoge totaalervaring is onevenaarbaar.
De pret begint al bij het aanrijden: op de scenische 55-route tussen Gaupne en Lom priemen de Jotunheimen-pieken fenomenaal aan de horizon. Een met putten doorweven tolwegje voert je recht het hart van dit berglandschap in. De toeristenhut Spiterstulen is het zenuwstelsel van het gebied, idyllisch gelegen aan een gletsjerrivier tussen de twee hoogste Noorse toppen in (Galdhøpiggen aan de westzijde en Glittertind aan de oostzijde). Daags voor de bergqueeste kan je er je tentje neerpoten. Wees er niet te laat bij, want vlakke lapjes gras zijn er niet bij de vleet.
De tocht zelf is zowel cijfermatig als prozaïsch ontzagwekkend. Vanuit Spiterstulen klim je 1.500 hoogtemeters over zes kilometer, tot een Scandinavische recordhoogte van 2.458 meter boven zeeniveau. Aanvattend laveer je vanuit het ‘base camp’ de groene richel op die de echte toppen aan het zicht onttrekt (hier gaan alle jasjes al uit). Eenmaal die eerste horde genomen, wordt er een immens mooie bergloper uitgerold. Over rotsen hotsend en klauterend voel je het gletsjerwater onder je heen stromen. Na een kwieke vier kilometer klimmen, word je links en rechts omringd door ijzige gletsjers. Vooral de Styggebreengletsjer aan de rechterkant is een begrip. Over die ijsvlakte kan je (vanuit de Juvasshytta) ook een begeleide Galdhøpiggen-aanval doen.
Richting de tussentijdse Keilhaus-top is het even pittig klimmen én afdalen, waarna het plafond van Scandinavië nog maar enkele lendenrukken verwijderd is. Bovenop dat noordelijke dak valt het uitzicht nagenoeg niet te beschrijven. Witte en zwarte reuzen poseren trots zover het oog rijkt. De terugtocht verloopt over hetzelfde pad, maar door het omgekeerde stramien word je alsnog slag om slinger verrast door de omgeving. En ben je stiekem trots dat je deze heftige helling enkele uren eerder naar boven geslopen hebt. Wij deden heen en terug acht uur over deze grandioze Galdhøpiggen-hike, veel mooier gevuld kan een dag niet zijn.
Waar kan ik het GPX-bestand van deze wandeling vinden?
Van alle 369 GR-routes in Frankrijk (die meer dan 60.000 kilometers wandelpret belichamen), verkozen de Fransen dit jaar de GR340 op het Bretoense eiland Belle-Île-en-Mer tot hun meest geprefereerde wandelpad.
Hebben onze zuiderburen smaak qua stappen of gooien ze er met hun jeu de boules naar? Onze eigen GR 340-ervaring leert dat het elysische eilandpad met recht en rede bekroond is! Tachtig sensationele kilometers lang (of te kort) zwabbert de route gezwind langs de kolossaal kartelende kust, waarbij je je als nietige passant vergaapt aan en een weg baant door betoverende baaitjes (met 58 uniek ingesneden stranden) en roemrijke rotsen die uit de Atlantische Oceaan oprijzen. Als klap op de vuur(toren)pijl vind je er de meest bangelijke bivakplaatsen.
Voor ik samen met mijn weergaloze wandelkameraad Lukas die wondermooie wit-rode weg kon inslaan, hadden we eerst nog een autorit van acht uur voor de boeg. Via de prachtig hellende Pont de Normandie (die over de in het Kanaal uitmondende Seine loopt) en de eufemistisch genaamde reposplaats Aire du Mont Saint-Michel (van waaruit het getijdeneiland helaas allerminst zichtbaar was), komen we 750 kilometer zuidwestelijker aan op het schiereiland Quiberon.
Een ware zondvloed kluistert ons nog iets langer aan de wagen, maar eenmaal we een halfuur later alsnog de ferry richting Belle-Île ophoppen, verdwijnt de regen als sneeuw voor de zon. Achtereenvolgens gidsen duchtig dartelende dolfijnen ons naar de eilandelijke hoofdplaats Le Palais, voert een feeëriek kronkelpad ons van de kaai naar de camping en ultiem begeleiden een heerlijk happy hour en bijhorend kletterende karaokeavond (waar het zowaar verplicht is om op je stoel te dansen) ons naar dromenland.
👣 Le Palais – Plage de Stêr Vraz (21 km)
Via de naar hem genaamde chaleureuze citadel doet vestingmeester Vauban ons uitgeleide uit Le Palais. Om duidelijk te maken dat het pad voorts (gelukkig) geen stedelijke allures heeft, verschaft een Moria-achtige poort ons toegang tot het stante pede relatief ruige kustpad. De eerste panoramische aanblik is er een om van te watertanden: een minuscuul strandje dat lieflijk geprangd ligt tussen de karakteristieke, krioelende kliffen en de van azuur- tot opaalblauw transformerende oceaan. Langs zeven gelijkaardige, maar toch totaal verschillende, diepgelegen strandinhammen dalen en klauteren we verder naar de Pointe de Taillefer, waar een ruïneus fort (dat 300 jaar geleden gebouwd werd door Vauban – uiteraard – en tachtig jaar geleden dienst deed als Duitse Atlantikwall-defensie) zich tot exploratie leent.
Gedurende de rest van de route naar de noordelijke ronding van Belle-Île-en-Mer trakteren we onszelf op een gerechtvaardigd gerstenatje in Port Jean (waar zwemmers, zeilboten en zeemeeuwen een paringsritueel doen) en een boekweitpannenkoek in de excessieve baai van Sauzon. Eenmaal onze innerlijke mens versterkt, bereiken we de plek die zowat alle Belle-Île-brochures siert: de vuurtoren op de Pointe des Poulains. Op dit schiereilandje, dat bij hoogtij in zee verzinkt, voel je je nietig in aanwezigheid van de “tegen de rotsen botsende klotsende hotsende watermassa, basis van alles en van heel wat gedichten”, om auteur Jeroen Theunissen treffend te citeren. Machtig mooi in al zijn natuurlijke eenvoud!
Langs een uitdagend golfterrein (dat aan alle elementen is overgeleverd), slaan we af op zoek naar een geschikte bivakplaats. Geschikt blijkt een uitermate groot understatement als we de Plage de Stêr-Vraz naarstig naderen. Met een verkwikkende zwempartij bij valavond spoelen we al het zweet en stof van ons af, waarna we vanuit een excellent arendsnestje boven de baai genieten van spijs en drank. Zelfs een meeuwenstront op onze tent is snel uit het geheugen en het zeildoek gewist. De ritmisch voorbij wuivende lichtbundels van de vuurtorens van Poulains (in het noorden) en Goulphar (die daags nadien continu ons zuidelijke mikpunt zal zijn) wuiven ons ten slotte gedwee in slaap.
👣 Plage de Stêr Vraz – Port Goulphar (18 km)
Als ware kustwachters flankeren enkele koene kajakkers en een lange colonne zeilschepen ons tijdens de eerste stondes van onze tweede wandeldag. Het is niet toevallig dat het ‘verkeer’ op zee hier iets toeneemt, want aan deze (zuid)westelijke kant van Belle-Île-en-Mer zijn de kliffen nog veel spectaculairder en dieper geërodeerd dan aan de lieflijkere oostkust. Ietwat contradictorisch misschien, maar net door die rijzigere rotsen is het wandelpad hier een tiental kilometer lang egaler, opener en minder glooiend. Al deze baaien naar beneden hotsen zou gekkenwerk zijn. Hoog en droog aanschouwen we ettelijke drijvende stenige kolossen, landtongen en grotten, met de Grotte de l’Apothicairerie als beste medicijn tegen hoogteziekte.
Vanaf de prachtige Port de Borderun wordt de hoogteteller wel weer snedig aangezwengeld (driewerf hoezee!), hetgeen een iets oudere vrouw in ons vizier zelfs ten gronde doet zijgen. Die acute knieval vergoelijkt ze met de (ons ietwat beschuldigende) frase “Ik ben hier in het nadeel met mijn kortere benen!”. Na dat intermezzo voeren onze lange benenwagens ons verder naar het door surfers overspoelde lange zandstrand van Port de Donnant, waar een sanitaire noodstop halleluja-kreten doet opstijgen uit een perfect gesitueerd bosje.
Eens we ons tegoed hebben gedaan aan golfscherende impressies en exquis geplet proviand, zetten we al de eindsprint van deze etappe in. Die laatste penseelstreken over dit gedeelte van het kustpad zijn succulent. De parmantig uit het diepe blauw priemende Aiguilles de Port Coton inspireerden Claude Monet tot een kwartet sfeervolle schilderijen én ons (en een horde toeristen die duidelijk niet de hele GR-route wandelen) tot enkele minder arbeidsintensieve kiekjes. In de rustieke baai van Port Goulphar, die door menigeen als de mooiste inham van het eiland wordt omschreven, houden we nog halt voor onze dagelijks zwemfestijn tussen de voor anker liggende plezierbootjes.
Ons eigen anker slaan we uit (en bijgevolg slaan we onze haringen er in) bovenop de kliffen rond dat zwemparadijs. Na een gastronomisch gevulde pannenkoek en bijhorende degustatieve cider in de charmante Crêperie Coton (waar de gastvrouwen klaarblijkelijk ook gecharmeerd zijn door onze aanwezigheid) zien we de zon nog zwierig en gevarieerd veelkleurig zakken in de zinderende zee.
👣 Port Goulphar – Port Andro (24 km)
“L’étape reine” kondigt zich met veel bravoure en een zwoel opkomend zonnetje aan! Deze zuidelijke kust- en klifstrook wordt met recht en rede de “côte sauvage” genoemd. Het gekkenwerk waarover gisteren sprake wordt vandaag wél bewaarheid, met een amalgaam aan uitgehouwen ezelspaden die de baaien in- en uitslingeren. Een vooruitblik op al dat zware lekkers krijgen we vanaf het meteo- en radarstation op de uitstekende Pointe du Talut: voor ons tekenen krinklende winklende waterdingen kilometerslang het landschap, met aan de einder twee uitstekende Pointes.
Veruit de meest technische aflopende rotswand krijgen we daarna meteen onder onze houvast zoekende voeten geschoven. In de kilometers landinwaarts lopende Port de Kérel-inham doet het GR-pad er alles aan om zo min mogelijk op een begaanbaar pad te lijken. Hemels! Ook nadien volgt een machtige mix tussen stroken waarbij we relatief rustig langs de klifwand marcheren en scènes waarbij we puffend x-aantal summa opklauteren (waarna de voldoening aan de andere kant van de baai des te bevredigender is wanneer we aanschouwen welke ogenschijnlijk loodrechte muur we zonet bedwongen hebben).
Na achttien allesomvattende kilometers, waarbij we tijdens de laatste lendenrukken nog een partij prachtig in de diepte opdoemende stranden passeren, pauzeren we pauselijk op de meest zuidelijke landengte Pointe du Skeul. Waar dit schiereiland vanochtend een microscopisch puntje aan de horizon was, ontwaren we nu mijlenver verwijderd de radarmasten op de Pointe du Talud. Mooi wandelstukkie om het met onderdrijving uit te drukken!
Nu opnieuw noordelijk navigerend, met in de rustig geworden oceaan de kleinere eilanden Houat en Hoedic drijvend én zelfs het Franse vasteland al in zicht, zweven we de plots weer begroeide rotswand af naar onze etappehalte Port Andro. Daar aangekomen (je raadt het wellicht al) is het eerst weer tijd voor oceaanexploratie, gevolgd door campinginauguratie (waar afschuwelijke Annabelle-poppen en een grondig geschrobde eenhoorn ons ietwat uit ons lood slaan) én een door de nodige Leffes geaccompagneerd burgerfestijn. Wat een ontzaglijke topdag!
👣 Port Andro – Le Palais (14 km)
Er wordt weleens beweerd dat het weer onze gemoedstoestand reflecteert. Dat klopt. Ietwat beteuterd als we zijn omdat we al onze laatste dag aanvatten op dit elysische eiland, gaan de hemelsluizen dan ook wagenwijd open terwijl we ons bivak afbreken. Een kwartier later is echter alles alweer (bijna) zonneklaar. Tot spijt van wie het benijdt (hier en daar wordt een viriele vloekterm in het rond geslingerd) en tot jolijt van wie het verheerlijkt, heeft het pad als slotstuk geen zondagse rode loper uitgerold, maar blijft het richting de vuurtoren van Kerdonis en het ultralange Plage des Grands Sables soms subliem steil stijgen.
Na de allerlaatste chocoladebroodjes, die intussen zo flinterdun geplet waren als pannenkoeken, vraatzuchtig te hebben verorberd (waarbij ons middagmaal geïnterrumpeerd werd door een heerschap dat wel heel geniepig uit de bosjes kwam gezwalpt), huppelen we als intussen volleerde klifgeiten de laatste intense inhammen door. Vanaf de rotsige uitloper Pointe du Fort zien we Le Palais opeens vlakbij opdoemen en voor we het goed en wel beseffen struinen we door de smalle steegjes naar onze begin- en eindelijke GR-lantaarnpaal op de scheepskade.
Een afsluitende kasserol Bretoense mosselen in combinatie met een Affligem vormen de perfecte brug tussen dit beminnelijke Belle-Île en onze Vlaamse hofstee. Terwijl wij letterlijk duimen en vingers aflikken, verft een amateurschilder (die ons jandorie voor Duitsers aanziet) aan het tafeltje naast ons een aangenaam aquarel van de havengeul. Het is zeker geen Monet-meesterwerk, maar typeert wel dat Belle-Île-en-Mer vanuit elke hoek (of beter: klif) extreem schilder-, kijk-, begerens- en vooral wandelwaardig is.
“I’ve been a wild rover for many’s the year And I’ve spent all me money on whiskey and beer”
Voor we als zwervers de hort op konden op het wereldvermaarde Wicklow Way-wandelpad, stond een opwarmtoertje door het dolle Dublin op onze groen-oranje kalender aangekruist. De Wild Rover indachtig verdeden we een aardig zakcentje aan fel getaxeerde pints in het levendige Temple Bar-doolhof. Aan aanbodzijde alvast geen gebrek: naast de obligatoire Guinness sieren ook legio lagers, red ales, ciders, IPA’s en Heineken-afvalwater de Ierse tapkranen (en groteske pitchers).
Tussen het degusteren door profiteerden we ervan om onze stappenteller al te laten warmdraaien. Tijdens onze stadstournée vergaapten we ons aan de mooie Molly Malone (“cockles and mussels!”), aan Oscar Wildes excentriek poserende evenbeeld in Merrion Square (waar we op het nippertje een ballonvaart misliepen), aan het Harry Potter-inspirerende Trinity College (met heel alerte surveillanten), aan de catacomben van Christ Church Cathedral (waar gemummificeerde en levend verklede artefacten ons verrasten) en aan een wel heel peculair 120 meter hoog naaldmonument (“All art is useless”, om Wilde te citeren). Als klap op de vuurpijl werden we ’s avonds ook nog een scenario (“You’re in!”) ingezogen en werd ik daarvoor omgetoverd tot Ken, al waren die improvisatierol en naamsverandering gelukkig van korte duur.
👣 Eerste etappe: Glenmalure – Glendalough
The Glendalough Saint
“In Glendalough lived an old Saint.
Renowned for learning and piety.
His manners was curious and quant.
And he looked upon girls with disparity.”
Over naar het echte werk: wandelen! Na anderhalf uur op de trein en een kwartiertje in de schoolbus kon onze vierdaagse exquise queeste aanvangen in valleigehucht Glenmalure. De bezongen oude, leergierige en vrome heilige uit onze aankomstplaats Glendalough gaf ons gedwee zijn zegen, want het Ierse weerstereotype ontkrachtend kregen we schitterend wandelweer van 25°C voorgeschoteld. Vanaf de eerste passen openbaarde de Wicklow Way zijn wonderlijke schoonheid, aanvankelijk met een bosrijke spiraalstijging en nadien met een rotsige tweetrapsraket naar het zenit van Mullacor Saddle. Op een hoogte van 600 meter werden we opgezadeld met de eerste kiekwaardige panorama’s (die de dagen nadien toch nietig zouden uitvallen ten opzichte van het iets noordelijker gelegen landschap).
Bekoorlijke, beschutte boswegels gidsten ons vervolgens richting de Glendalough-vallei. Niet voor niets één van de meest geliefkoosde weekendbestemmingen van veel Dublinners. Samen met de Poulanass-waterval stortten we ons als de wiedeweerga naar het imposante Upper Lake. Die overweldigende oase smeekte uiteraard om een verfrissend duik-, dobber- en schoolslagmomentje. (Geluk)zalig! De juiste plaats op het juiste moment, want een local wist ons te vertellen dat het die dag voor het eerst in zijn leven warm genoeg was om daar te kunnen zwemmen.
Als verfriste hoentjes dartelden we naderhand via enkele eeuwenoude religieuze ruïnes de laatste twee kilometers naar ons jeugdhostel. Liederlijk nakaartend over deze enigmatische eerste wandeldag in het enige restaurant van het dorp, zagen we onze avond ei zo na vergald worden door een horde half verdwaalde Hollanders naast ons, maar dat was buiten Danny gerekend. Die sympathieke West-Vlaamse bakker (die wereldberoemd is als bedenker van de Florentientjes) scheurde zich los van zijn Nederlandse gezellen en entertainde ons tot sluitingstijd.
👣 Tweede etappe: Glendalough – Roundwood
We’re on the Road
“We’re on the one road, sharing the one load.
We’re on the road to God knows where.
We’re on the one road.
It may be the wrong, but we’re together now who cares.”
Wij waren nog steeds op de juiste weg! Na een kleine surpluslus als ochtendloopje (de 10km-lange bewegwijzerde Spinc and Glenealo Valley Walk; extreem de moeite, met schitterende uitzichten rondom het Upper Lake, langs grazende reeën en door een memorabel mijndorpje) nam de Wicklow Way ons weer mee in zijn zog. De kuiten werden opnieuw terstond geprikkeld langs enkele donkerbeboste heuvelhellingen boven de Glenmacnass-vallei, waarna met de zonovergoten Paddock Hill één van mijn persoonlijk plezantste klauterpartijen van de route opdoemde. Zonnecrème uitzwetend werden we beloond met een (terug)blik op het reeds bewandelde landschap.
De passage nadien was iets minder ravissant, met een kilometerslange asfaltbaan. Gelukkig was er in die zone een volledig Bundesland Duitse jongeren gedropt, waardoor we onze talenkennis konden opvijzelen. Wunderbar! Halverwege de etappe deden de enige halfuur durende regenbui van onze reis en een snelle siësta ons deugd.
Opgekalefaterd laveerden we de frivole Ballinafunshoge-heuvel op, van waaruit meerdere (stuw)meren ons langs alle kanten weer toelachten. Een laatste hoogte en dal later stonden we al aan het hek van onze B&B (Lus Mor) in Roundwood. In dit afgelegen oord vloog de avond vliegensvlug voorbij. Zo beslechtten we voor eens en voor altijd wie nu de baas is van Kerstmis (Jezus of de Kerstman?) en plunderden we (mits vergoeding uiteraard) net niet de volledig geëquipeerde koelkast.
👣 Derde etappe: Roundwood – Enniskerry
Among the Wicklow Hills
“As I gaze across the mountain
I relive a moments joy
The same old Wicklow Mountain
where you ramble as a boy”
Geen herinneringen aan jeugdige zwerftochten, maar wel des te meer vreugdevolle momenten tijdens deze koninginnenetappe van Roundwood naar Enniskerry. Een met oplopende treden vergulde bospromenade spreidde de bruine loper uit richting wow-tijd. Een eerste westelijk zijtapijt leidde naar een heuvelhabijt, waarna een oostelijke zijsprong de Ierse Zee in zijn volle glorie reflecteerde. De meest magnifieke aller uitzichten (en dé Ierse maatstaf der dingen) volgde nog een kronkelige hobbel verder: een plaatje om in te kaderen met Lough Tay en diens omgeving als pièce de résistance.
Samen met ons enthousiasme wakkerde nadien de wind ook aan. Beukend tegen dat element was het spitsroeden lopen om ons evenwicht te behouden op het smalle houten wandelpad. Een misstap was gelukkig geen te erg abuis, want het omliggende weiland verzoop op de meeste plaatsen niet in zijn zompigheid. Waar de Wicklow Way aan een vliegtuigcrashsite oostelijk draait, snuffelden wij nog enkele honderden meters verder in noordelijke richting.
Djouce Mountain, met zijn 725 meter het hoogste punt van de Wicklow Way, verlaat enkele honderden meters het Pad, maar is absoluut de kleine omweg (die eigenlijk zelfs een shortcut is) waard! Als volleerde heuvelgeiten hinkelden we naar de top, waar een unuksuk-toren en geodetisch herkenningspunt enige houvast boden. Eenmaal wederom beneden ge(z)waaid ontloken de zon, een loodrecht niemendalletje als digestief én de lager gelegen Powerscourt-waterval zich aan ons zicht. Eén rouwmoment onderbrak deze prachtdag: onze pas verworven mascotte was plotsklaps vermist!
Een lommerrijke bochtentocht rond de Glencree-rivier en een passage tussen torenhoge varens (waar een plompverloren hinkende fietsster zowel het noorden als het zuiden kwijt was) hielpen om het mascottemankement te boven te komen. Ook het avondrelaas in het typische Ierse Enniskerry was warempel weer de moeite. Drie dingen blijven me van die avond bij: de traditionele Ierse gezangen (en bijhorende luchtgitaarsolo’s) in de pubs zijn écht cultureel erfgoed om te koesteren, een “kleine Guinness” hoef je absoluut niet te koesteren én het adagium dat Ieren en Engelsen elkaar nauwelijks kunnen luchten, klopt wel degelijk als een dubbeldekbus.
👣 Vierde etappe: Enniskerry – Dublin
Rocky Road to Dublin
“On the rocky road to Dublin.
One, Two, Three, Four, Five.
Hunt the hare.
And turn her down the rocky road.
And all the way to Dublin.
Whack follow de rah!”
“Whack follow de rah!” Met dat machtig klinkende motto voor ogen vatten we de laatste etappe van onze 80 kilometer mooie Wicklow Way-wandeling aan. Dat die eindweg naar Dublin bijwijlen ruig, rotsig en op die manier eveneens ravissant is, ondervonden we wederom snel tijdens de opgaande uittocht naar Prince William’s Seat. Vanuit dat majesteitelijke arendsnest doorweefden de zuidelijke heuvels, de zilte zee en de eerste priemende aanblikken van Dublin elkaar megamooi. Enkel een eigengereide drankfles verstoorde deze genotvolle aanblikken kortstondig.
Via het gehuchtje Glencullen wreven we ons niet veel later samen met enkele andere wandelaars (tijdens deze etappe kwamen we voor het eerst redelijk veel lotgenoten tegen; tijdens de andere dagen bleek nogmaals dat heugelijk hiken – gelukkig maar – nog geen massatoerisme is) in de handen met het vooruitzicht van de laatste hoogtemeters van de Wicklow Way. En die laatste opwaartse stondes waren van splendide kwaliteit!
Hier en daar een zacht zuchtje en een krakend gewricht horend, huppelden, hotsten en hinkten we de Two Rock Mountain op. Zonder veel poeha een prachtige piek, aan wiens voeten het vanuit de lucht megalomane Dublin opdoemde. De geur van gebrand mout en Guinness-gist volgend vlogen we uiteindelijk bergaf naar Marlay Park, aan de rand van de hoofdstad, alwaar honderden oldtimers ons statig naar het laatste bordje van de Wicklow Way begeleidden. Wat een ultrafijne wandeltocht!
“Alive, alive, oh.
Alive, alive, oh.
Alive, alive, oh.
Crycing, “cockles and mussels”, alive, alive, oh”
Molly Malone-gewijs sloten we levend en wel (oh!) ons wandelavontuur af met een verrukkelijke kom mosselen, terwijl onze memorabele mascotte enkele tientallen kilometers zuidelijker van zijn nieuwe leven tussen heuvels en meren genoot.
Intens wandel-, reis- en leefgeluk ligt verscholen in kleine, maar o zo betoverende Belgische uithoekjes. Die openbaring dank ik deels aan deze drommelse coronacrisis. Waar mijn gezichtsveld bij het uitstippelen van een reis normaliter (te) snel enkele duizenden vliegkilometers ver reikt, richtte ik mijn loep dit jaar noodgedwongen op ons bloedeigen België. Wat een geluk, bleek al doende en a posteriori.
Een binnenlands avontuur aangaan dan maar? Het land diagonaal doorkruisen via de GR 129, de langste wandelroute van België, helemaal van Brugge naar Aarlen? 570 kilometer stappend en bivakkerend ontdekken? En een (wanhopige) oproep doen of er nog gelijkgestemde zielen (of zijn het zotten?) zin hebben in zo’n expeditie? Halleluja en hosanna dat die vier onbezonnen opgerezen vragen al even overijld op digitaal papier gezet werden, want tot wat een hemelse reis zijn die waanideeën uiteindelijk geëvolueerd!
Zeventien verbluffende, inspirerende, gastvrije, glooiende, gezellige, verrijkende, overheerlijke, dorstlessende, diverse, overwegend zonnige en bovenal onvergetelijke dagen dwars door ons land om precies te zijn. Of nog gedetailleerder: 879.036 stappen langs de Leie, Schelde, Dender, Samber, Maas, Lesse en Semois, doorweven met ongestoorde stondes door uitgestrekte bossen, af en toe afgewisseld met schitterend neergepote steden en betoverende dorpjes als Brugge, Oudenaarde, Bergen, Dinant, Florenville en Aarlen. En bovenal vertoevend in het variërende gezelschap van 29 waarlijk wonderlijke trawanten. Deze memorabele queeste verdient dan ook een uitgebreider relaas. Als primair overgeleverde herinnering aan al dat moois en als inspiratie voor iedereen die het avontuur ook wil opzoeken, hetzij gedeeltelijk, hetzij bijna 600 intense kilometers lang.
Wandeldag 1: Brugge – Kruiskerke (35 km)
“Als je weggaat, kom je dan weer terug? Als ik terugkom, ben je er dan?”
Robbert Ritmeester aan het Brugse Bargehuis
Een versje, citaat of levenswijsheid om elke prozaïsche etappe mee te beginnen, lijkt me olijk. Voor de allereerste dag mag je die poëtische start wel heel letterlijk nemen, want bij de wandelwegwijzer aan kilometerpaal 0 blazen we met veertien mieterse metgezellen verzamelen in de schaduw van bovenstaande muurfrase. Sommigen met één enigmatisch mooie West-Vlaamse etappe in ogenschouw, sommigen met de bedoeling om na enkele etappes weg te gaan en zich vervolgens landinwaarts opnieuw te mengen in het wandelgezelschap én één halfgare idioot die zijn lot tweeënhalve week lang aan wit-rode streepjes toevertrouwt.
Enfin, eindelijk en route. In de schaduw van de Poertoren steken we de lont in het kruitvat. Een lont die (hopelijk) tot in Aarlen zal sidderen en aldaar ontbranden. Met voelbare uitgelatenheid, die wellicht ook als zenuwachtigheid gecatalogeerd kan worden, zetten we de pas erin langs het kanaal Gent-Brugge. De parade voelt al snel vertrouwd aan. Gestaag stappend met schuifelende schoenen, gelukkig nog bijlange niet schoorvoetend, verruilen we het Brugse stadsgezicht voor grindwegen, Assebroekse kanaaltjes, vlasvelden en enkele plataanlanen.
Een carrousel aan gesprekken (doorkliefd door een vioolconcerto aan vettige lachjes), enkele koekjes en een plaspauze verder snijden we het prachtige natuurstrookje van Gevaerts Noord in de Vallei van de Zuidleie aan, waar naast ons nog enkele andere ezels de weelderig begroeide kanaaloever begrazen en zich gewillig laten fotograferen. Aangezien ons menselijk gebalk en maaggegrom stilaan het geluid van de viervoeters overstijgen, doen we ons daar te goed aan onze eerste picknick. Als dorstlessende activiteit wordt er ook voor het eerst (maar zeker niet voor het laatst) gretig gevingerd. Voor de niet-ingewijden die al aan openbare zedenschennis denken: het gaat hier wel degelijk om het zedige zuipspelletje en niet om de seksuele verrichting.
Na dat middagse intermezzo en een snelle oversteek van zowel het kanaal als de E40 snijden we met het Bulskampveld de eerste echte bospartij aan. Hier werd een eeuw geleden een grootoom van koningin Mathilde passioneel vermoord, maar elk lid van onze compagnie overleeft (ondanks de eerste opkomende blaren) gelukkig springlevend die passage. We zijn zelfs zo energiek dat we gezamenlijk een hindernissenparcours ter omleiding van de GR verkiezen.
In het daaropvolgende hemelse Vagevuurbos krijgen we de eerste (uit)lachers op onze hand nadat we op hun vraag “Waar gaat de wandeling naartoe?” zonder verpinken “Aarlen” antwoorden. Na enkele bovenste beste beschutte bosuren doemen in de Gulkeputten ambigue zendmasten op. We seinen (uiteraard) nog geen Mayday door, maar als we ons vervolgens in het niet zo dromerige Doomkerke neervlijen aan de voet van de kerk, lijkt het alsof de negende statie van Christus’ kruisweg (getiteld ‘Jezus valt voor de derde maal’) als een tableau vivant uitgebeeld wordt.
Gelukkig wordt het religieuze vervolg “En staat weer op. Ondanks zijn goddelijke aard is Jezus vastbesloten te sterven als een mens” al even snel weer bewaarheid en genieten we deels huppelend, deels trekkebenend van de laatste kilometers door de illustere Vorte Bossen richting bivakplaats Kruiskerke. Aldaar aangekomen lachen dorstlessende en dorstige Brugse Zotten elkaar allegorisch toe in het leutige lokale café. Wat een fenomenale openingsetappe, 35 kilometer lang omringd door de beste metgezellen die een mens zichzelf kan toewensen. Zelfs een fikse regenbui tijdens het opzetten van onze tenten en een uitermate winderige nacht kunnen het enthousiasme en de goesting in veel meer natuurschoon niet temperen. Aarlen lijkt al heel wat minder ver.
Wandeldag 2: Kruiskerke – Kruis(hout)em (38 km)
“Een groot deel van ‘s mensen levensweg bestaat uit zijpaden”
Nederlandse auteur Gerard Reve, die zijn oude dag doorbracht in Machelen-aan-de-Leie, een tussenstop op deze etappe
Als je in het leven steeds maar rechtdoor gaat en de zijpaden steevast links (of rechts) laat liggen, mis je een heleboel. Dat geldt zowel letterlijk als figuurlijk, maar tijdens deze tweede wandeldag wordt die wijsheid vooral letterlijk bewaarheid. Zo raas ik al jarenlang wekelijks via de E17 langs de afrit Kruishoutem, maar in al die gasgevende haast had ik nog nooit de glooiende schoonheid aan de zijkant van de autoweg, de heuvelrug tussen de Leie- en de Scheldevallei, bewonderd. Dat mooie Kruis(hout)em is de eindstop van onze tweede etappe. Maar voor we dat vergezicht mogen bewonderen, steken we vandaag vanuit Kruiskerke maar liefst vijf keer de provinciegrens tussen West- en Oost-Vlaanderen over. Ook enkele spoor-, auto- en waterwegen worden gekruist. Tel daarbij nog het kruiende wiekenkruis van de Artemeersmolen en je bekomt genoeg kruis(ing)en op ons pad vandaag.
Met een uitgedund pelotonnetje van vier wandelaars duiken we ’s ochtends in het Hoogveld meteen het enige bosje die naam waardig van de dag in. Vervolgens gaat het via een lappendeken aan landbouwgronden (waar de tractors duchtig in de weer zijn) en enkele lieflijke hoeves snel naar het gehucht Lotenhulle, waar we onze copieuze comboboterhammen met confituur én hesp én kaas smakelijk kanen.
Het namiddagse landschap bezong Guido Gezelle als “deen zo’n deugd aan ’t herte mijn” en ongelijk kan ik hem niet geven. Het schitterend symmetrische Kasteel van Poeke, de weidse vergezichten richting Kortrijk en Gent (terwijl we nog steeds maar zo’n twintig meter boven zeeniveau vertoeven), een mooi onderhouden vlonderpad in de Vondelmeersen en enkele charmante, verscholen dorpjes leiden ons laverend naar de door ons zo vaak bezongen lieflijke Leie.
De eerste (van vele, zo zou de weken nadien blijken) rivieroversteek brengt ons naar het mooiste dorpje van de dag, het eerder aangehaalde Machelen-aan-de-Leie, waar zowel Gerard Reve als schilder Roger Raveel heel graag vertoefden aan de dromerige oude Leiebocht. Ook wij vlijen ons bij een heel vakkundig geplaatste pop up-bar neer voor een laatste idyllische tussenstop.
Wat vervolgens gebeurt, zou zelfs Raveel niet op doek hebben kunnen uitbeelden. Een plotse windvlaag wurmt zich onder het geïmproviseerde zeildoek dat als dak dient en slechts door enkele steunbalken geruggensteund wordt. In een oogwenk zijgt het zeil ineen en worden enkele verraste gasten tot spook gereduceerd. Met behulp van professioneel zeilenbijzetter Jonathan komen de uitbaters er gelukkig met een buil en enkele gebroken glazen vanaf. Met de wind in de zeilen trekken wij ons na dat euvel op gang voor de laatste zes kilometer richting Kruishoutem.
Enkele blij toeterende en pinkende vrachtwagens stuwen ons de E17 over, waarna we de heuvelrug tegemoet lopen die na 38 kilometer onze avondlijke bestemming vormt. Waar de kampeerspot van de eerste etappe al vooraf geregeld was, moeten we hier nog een plaatsje zien te vinden. Zouden mensen happig zijn om ons, kampeerders, op hun domein toe te laten? Of zouden ze ons verjagen met riek en jachtgeweer? Heel snel wordt duidelijk dat er nog veel goedheid in de mens schuilt, want bij het derde huis waar we aanbellen worden we als koning(inn)en onthaald.
Nog voor we onze tent hebben kunnen opzetten, ontkurkt de aimabele gastvrouw al een (immens smakende) bouteille Côte du Rhône. Dat we stoffig en zweterig in haar nieuwe zetel ploffen (en er zelfs ei zo na wijn op morsen) kan onze hospita geen sikkepit schelen. Zo dankbaar wij zijn voor de ontvangst, zo opgetogen lijkt zij met het onverwachte gezelschap. Na de wijndegustatie sluiten we deze schitterende dag af met een bourgondisch frietdiner bij zonsondergang op de heuvelrug en enkele digestief-Jupilers in ons tijdelijke privétuinhuis.
Wandeldag 3: Kruis(hout)em – Nukerke (36 km)
“O, mijn schoon land, met uw wijde horizonten; land van heuvels en dalen, waar ge tien, twaalf dorpen in één dag te voet kunt bezoeken, van het ene naar het andere gaan langs veldwegeltjes die klimmen en dalen; waar ge vanop een hoogte wel twintig dorpen ziet liggen, met hun kerktorens en huizen en hofsteden en boomgaarden.”
Omer Wattez, 1889
Omstreeks de tijd dat (de eerste) Omer Vander Ghinste in Kortrijk de edele kunst van het bierbrouwen onder knie kreeg, introduceerde zijn voornaamgenoot en essayist Omer Wattez dertig kilometer oostelijker de term ‘Vlaamse Ardennen’ in ons woordenboek. Bovenstaand lyrisch uittreksel uit diens toeristische gids vat perfect, hetzij ietwat onpersoonlijk, de derde wandeldag samen. Ik voeg daar graag nog onze eigen kastelenklopjacht, kilometermijlpaal, kuitenbijters en kampeerervaring aan toe.
Na een zonovergoten ontbijt in onze private tuin zetten Sien, als ijzersterke last woman standing en eveneens uitstekende compagnon, en mezelf er de pas in voor de laatste etappe op Vlaamse bodem. Vooraleer de eerste echte heuveltjes in de namiddag voor ons zullen opdoemen, flaneren we via veldwegeltjes, beukendreven, omzoomde tegelpaadjes en enkele verdwaalde kasseistroken eerst nog een poos over de rug van het landelijke Leie- en Scheldebekken.
Naast wandel- en wielerliefhebbers vonden de voorbije eeuwen ook kasteelheren en -dames hier een geliefkoosde habitat. Zo schrijden we kort naeen langs het kasteeldomein Della Faille (in het Lozerbos) en het kasteel de Ghellinck d’Elseghem in Wannegem. Ons wit-rode pad cirkelt hectometers lang rond dat versailleske domein met zijn eeuwenoude bomen. Een omleiding als verkooptrucje? Het neoclassicistische kasteel van Wannegem staat namelijk al dertien jaar tevergeefs te koop. Het kostenplaatje is intussen geslonken van twaalf miljoen naar zeven miljoen euro. Een habbekrats. Toch trek ik mijn geldbuidel nog niet meteen open, want mijn ‘huis’ van circa vijftien kilogram op mijn rug is zeker nog twee weken lang een fantastisch onderkomen.
Voor we ons royale middagmaal verorberen, passeren we nog een hoogtepunt. Het is met veel minder pracht en praal omgeven dan de voorafgaande kastelen, maar het stokoude kerkje van Moregem en vooral de slingerende weg ernaartoe dwars tussen de tarwe- en maïsvelden, ontlokt me een eerste wow-kreetje. Schoon in zijn eenvoud. Anders kan het niet omschreven worden. In een toeristische gids zou dit dorpje (die naam eigenlijk zelfs niet waardig) nooit ofte nimmer vermeld worden, maar op mijn tocht dwars door België is het om moeilijk verklaarbare redenen één van de passages die heel lang op mijn netvlies gebrand zullen blijven. Op de flanken van deze heuvelkam nestelen we ons neer op een prachtige picknickplaats met zicht op de Donkvijver, de Oudenaardse Sint-Walburgakerk, de glooiende taalgrensregio én (imaginair) zelfs de echte Ardennen.
Aan de oevers van de Donk breidt Lukas ons tweetal uit tot een trappelend triumviraat. In het zog van zijn zevenmijlslaarzen zwermen we door de eeuwenoude binnenstad van Oudenaarde (waar het mij vooral opvalt dat het stadhuis een neefje is van zijn Leuvense en Kortrijkse tegenhangers), over de levensader die Schelde genoemd wordt en door de kronkelende graslapjes van Het Spei. Wanneer we de stad der Buuneklakkers verruilen voor het dichtstbijzijnde dorpje Leupegem, wacht ons een aangename verrassing: de wandelwegwijzer die meldt dat we 100 kilometer afgehaspeld hebben sinds Brugge. Fantastisch! En vooruitdenkend: nog 470 even fantastische kilometers in het verschiet.
Als cadeautje omdat we al zover geraakt zijn, trakteert het Pad (excuses dat ik intussen over het Pad praat als een goddelijk wezen, maar zo’n aura heeft het voor mij wel verkregen) ons met de Achterberg op de eerste echte kuitenbijter van de onderneming. Aangekomen op het plateau van de Ommelozen Boom genieten we (al water tankend) van een panoramisch vergezicht over de Scheldevallei, de karakteristieke Koppenberg en het nietige dorpje Nukerke, dat onze bivakplaats van vandaag is.
Maar vooraleer we daar nachtelijk kunnen verpozen, zwelgt het wonderlijke “land van heuvels en dalen” ons nog wat dieper op, via een pittig, onverhard klimmetje naar de Bossenareheuvel en de Boonenberg (oftewel de Taaienberg voor de niet-koersadepten), een cirkelende afdaling waar koeien onze knikkende knieën gadeslagen en ten slotte een flinterdun omzoomd paadje dat ons pal naar de parochie Louise-Marie gidst.
Hier ademen Vlamingen en Walen echt in elkaars nek. Coronaproof uiteraard. Een excellente Ename voor de ene, een ijsje voor de andere (in een restaurant met Gault Millau-allure) en afsluitend een knoert van een kom spaghetti (in onze camping aan de visvijvers van Nukerke, waar de klok gestopt is met tikken in de jaren 70) vormen de meer dan welgekomen afsluiters van deze derde topdag.
Wandeldag 4: Nukerke – Ath (32 km)
“Onbekend maakt onbemind”
Onbekende origine
Dit gezegde blijft al te vaak overeind, terwijl onbekende streken net zo veel in hun mars hebben om bemind te worden. De Vlaamse Ardennen klinkt bij alleman als muziek in de oren, maar van zodra je het Muziekbos zuidelijk door danst en in de Waalse tegenhanger Pays des Collines aankomt, lijkt niemand dat landschap nog te kennen of beminnen. Wat een abuis! Deze etappe blijft me bij als één van de allermooiste dagen van de tocht (en dat wil wat zeggen), omwille van de glooiende natuurpracht, de weidsheid, de rust, het aardige stadje Ath en een onvergetelijk avondmaal. En nog het allermeest omwille van het uitstekende gezelschap.
Dat het een prachtdag zou worden, is eigenlijk al vanaf het openritsen van de tent duidelijk. Een oppeppend ochtendzonnetje wordt tijdens ons ontbijt weerkaatst in de drie vredevolle visvijvers op de camping van Nukerke. Zelfs een nukkige visser kan ons verwachtingsvolle gemoed allerminst doen kelderen. Sien loopt vandaag haar laatste loodjes mee en Tiel maakt ons trappelende trio weer compleet. Vooraleer we de schaarse passanten voortaan mogen begroeten met ‘Bonjour’ voor de komende veertien dagen, daagt het Muziekbos ons nog een laatste keer uit om met Vlaamse tongval te zwoegen. Het is de eerste van vier passages vandaag waarbij we van zo’n zeventig meter boven zeeniveau stijgen tot iets minder dan 150 meter.
Met een prachtig panorama heet Wallonië ons welkom in de gemeente Ellezelles, die zowel bekendstaat als de heksenhotspot van België als de geassumeerde geboorteplaats van detective Hercule Poirot. Agatha Christies poulain laat ons gelukkig niet te lang amechtig speuren naar mooie passages. Integendeel. Iets ruigere en wildere (meer op zijn Waals dan op zijn Vlaams onderhouden) bosgebiedjes (waar zowel Sam Gooris als Melania Trump ons pad kruisen), een tot groene oase omgetoverde spoorwegbedding en vergezichten op een geelgroen kleurenpalet van valleien vol akkers, weiden, bossen en vreemde molens wisselen elkaar pijlsnel af.
Rond de noen vullen we niet enkel onze energievoorraad aan, maar ook ons vat met hoogtemeters. Eerst bedwingen we een beukenbos (of beter gezegd een beukenmuur), kort nadien gevolgd door de passage naar het dak van de dag in Longbonne en afsluitend trakteren de ranke flanken van de Mont de Mainvault ons al op een magistraal uitzicht op Ath en agglomeratie. Een mens zou voor minder dorstig worden. Dat treft trouwens, want het drinkwaterproductie- en zuiveringscentrum langs het GR-pad in Mainvault bevoorraadt heel West- en Oost-Vlaanderen van drinkbaar water. Op die manier hebben we al een eerste belangrijke ‘bron’ bereikt op onze queeste.
Van hieruit dalen we nog een tweetal uur af naar het denderende stadje Ath, dat door de Dender dooraderd wordt. Onze voeten snakken stilaan naar wat welverdiende rust, maar gelukkig voeren ze ons eerst nog fluks via een watermolen (waar we heel even het noorden kwijtraken), langs en over de Dender, door de schaduw van de eeuwenoude Burbanttoren, helemaal naar het mooie middeleeuwse marktplein. Een verkwikkend streekbiertje later speuren we langs het kanaal Blaton-Ath naar een geschikte bivak- en barbecueplaats.
Omdat projectontwikkelaars ook hun oog hebben laten vallen op mijn vooraf aangestipte stukje weide, wordt deze speurtocht naar een slaapplek de ‘moeilijkste’ van de hele route. Moeilijk, entre parenthèses. Want dat we ons alsnog binnen het halfuur op een ideale spot kunnen settelen (met dank aan een dame die de Witte Gids blijkbaar opgegeten heeft), toont aan hoe poepsimpel ik eigenlijk altijd onderdak (en gastvrijheid) gevonden heb.
In de tuin van onze hospita kunnen we met dank aan bevoorradingshelden Jonas, Laurein, Charlotte en Levi (die speciaal daarvoor de taalgrens overgestoken zijn, waarvoor nogmaals enorm merci!) naar harten- en maaglust genieten van een bovenste beste barbecue. Twee kwaaie koeien die het moeilijk kunnen verkroppen dat we in hun nabijheid enkele van hun soortgenoten verorberen, zorgen nog even voor een prangend momentje, maar dat de sfeer er uitstekend inzit, wordt weerspiegeld in het gegeven dat het goed na middernacht is vooraleer we als ingeduffelde roosjes in slaap vallen.
Wandeldag 5: Ath – Mons (37 km)
“Don’t be scared to walk alone. Don’t be scared to like it.”
John Mayer in ‘Age of Worry’
“Mons. Miezerig. (Mot)regen. Moederziel alleen. Manco aan goeie foto’s. Maar desondanks magisch mooie etappe.” Deze mantra postte ik op sociale media bij mijn aankomst die vooravond in Bergen. Erop terugkijkend is dat eigenlijk echt een perfecte samenvatting van deze dag. Net als bovenstaande quote uit het liedje van de Amerikaanse singer-songwriter John Mayer dat evenzeer is. Zet gerust zijn song op terwijl je mij hieronder gezelschap houdt tijdens mijn eerste (van vijf) solodag(en).
Na vier dagen met de allerbeste compagnons die ik maar kon wensen, wordt vandaag dus het reisgezelschap gereduceerd tot één. Alsof de weergoden daardoor in rouw zijn, zetten ze hun sluizen op een kier, van zonsopgang (en het systematische gedruppel op mijn tent) tot zonsondergang (en het stromende water tussen de Bergense kasseien). Hoewel wandelen in gezelschap uiteraard nog toffer is, moet ik toegeven dat ik het verdriet van de weergoden niet deel: het alleen-zijn en alleen-voortschrijden vind ik verrijkend. Voor enkele dagen weliswaar. Alleen onderweg heb je tijd om je gedachten te ordenen, te laten dwalen (niet verdwalen), even uit te schakelen of net in overdrive te laten gaan. Je komt tot nieuwe inzichten. En bovendien triggert het ook je doorzettingsvermogen.
Gedurende de eerste kilometers heb ik nog niet veel tijd voor dwalende gedachten, want de variatie tussen lommerrijke kanaalzone, door bos omwalde ondergelopen steengroeves (waar een eveneens solitaire, reusachtige sint-bernardshond me kwispelend kruist), een passage onder een impressionant TGV-viaduct en het statige kasteel van Attre slorpt alle aandacht op. Als ik via mijn GR-boekje verneem dat die kasteelomgeving vroeger klaarblijkelijk de schuilplaats was van vagebond Vignou, die reizigers zonder verpinken overviel en vermoordde, zet ik er gauw weer de pas in.
Na die divers generfde aanloop volgt een ietwat monotoner end over veldwegels die kilometerslang rechttoe rechtaan zijn. Ideaal dus om hier wel even de gedachten te laten razen. Buiten twee kanjers van kastanjebomen in niemandsland en de karakteristieke Pairi Daiza-toren in de verte zijn er hier geen wereldwonderen te bespeuren. Wat ook niet hoeft. Over wereldwonderen geschreven: net na mijn middagmaal in Erbisoeul doemt met de Eiffeltoren wel een totaalspektakel op. Geen fata morgana, wel een schaalmodel van zijn grote broer in Parijs. Nog ietwat uit het smeedijzer geslagen van die constructie paradeer ik het uitgestrekte Bois de Ghlin binnen, dat de groene long van de Borinage vormt.
Eenmaal ook die feeërieke passage doorhuppeld, spat de drukte van de grootstad meteen keihard in mijn gezicht. Hoog en (niet) droog boven de auto’s op de E19 en de wagons op het spoornet leidt het Pad me naar het immense, artificiële Grand Large-meer in de periferie van Bergen. Pootjebaden (of suppen zoals enkele enthousiastelingen) staat daar niet meteen op mijn planning, want door een ganse dag van de regen in de drup te stappen, zijn mijn schoenen intussen in ondergelopen duikboten getransformeerd. In het stadscentrum zelf kan vooral de splendide Sint-Waltrudiskerk me bekoren, maar ik ben toch ook verheugd wanneer ik aan de voet van het geklasseerde belfort de jeugdherberg bereik. Een goeie keuze om voor één nacht mijn tent te verruilen voor een warm bed en dito douche. Dat beamen ook mijn voeten, die rimpelige kenmerken vertonen van zowel baby- als bejaarde voeten.
Vooraleer ik mijn ogen voor de vijfde keer dichtdoe en een nieuw hoofdstuk aansnijd, maak ik graag nog even onverbloemd reclame voor twee horecazaken in Bergen. Omdat mijn maag schreeuwt om eten en mijn voeten even luid krijsen om rust, schrijd ik snel de dichtstbijzijnde brasserie (met de meest schreeuwerige voorgevel ooit) binnen. In ‘La Vie Est Belle’ is het leven waarlijk mooi, bourgondisch en bovendien spotgoedkoop. De poulet au camembert & miel is een absolute aanrader. In de naburige Irish Pub sluit ik de avond toepasselijk af met een ‘Blanche de Bruges’-slaapmutsbiertje. Intussen al 180 kilometer verwijderd van die Brugse bakermat.
Wandeldag 6: Mons – Solre-sur-Sambre (33 km)
“Gastvrijheid is als kunst. Het raakt je.”
Kirsty van Erp
Een prachtig prehistorisch parcours plaveit zich vandaag in de Henegouws-Franse grensstreek. De weergoden hebben hun halfslachtige pogingen om mijn gemoed te bezwaren opgegeven, waardoor ik met een zonnige bril de tijdmachine kan instappen. De ochtendlijke deining van de Bergense binnenstad ruimt spoedig plaats voor overwoekerde en hellende binnenpaadjes in het Bois de Mons. Eens dit bos doorkruist, stap ik rechtstreeks het neolithicum in.
Het dorpje Spiennes klinkt wellicht niemand bekend in de oren, maar staat sinds de eeuwwisseling wel op de lijst van UNESCO-werelderfgoed. Bovengronds lijkt die eretitel totaal ongegrond, maar als je de mol in jezelf loslaat, ervaar je (of lees je op de infobordjes) dat er onder het oppervlak wel veel bedrijvigheid is (of vooral: was). Er lopen kilometers mijntunnels onder het dorpje, waar al in het jaar 4300 voor Christus vuurstenen uitgegraven werden, om tot wapens en werktuigen vervormd te worden. Die wapens komen iets verder op de dag nog goed van pas.
Eerst weer het hoofd boven de leemgrond uitsteken, waar ik door vlas- en tarwevelden waad en vervolgens via een hellinkje, waar de bewegwijzering tijdelijk vervangen is door gidsende brandnetels, in het dorpje Givry beland. Van hieruit start de pret: als een zwaarbeladen Romeinse legioensoldaat ruk ik zuidelijk op richting de Franse grens, waar de plaatselijke Nerviërs zich verschansen in hun nederzetting Le Castelet.
Spitant detail: om van A naar B te komen, wacht me een heel pittige, continue klim vol steenslag en smalle grasstrookjes van zo’n zes kilometer lang. Rechttoe rechtaan omhoog. Eenmaal badend in het zweet aangekomen, zijn de Nerviërs met de noorderzon verdwenen, waardoor ik mijn wapens uit vuursteen (die ik daarstraks verzameld heb), niet in bloed hoef te drenken. Of hoe imaginaire waanideeën me tijdens dergelijke passages fluks en positief op weg houden. Nadat ik mijn wapenuitrusting heb afgeworpen, kan ik op deze hoogte genieten van een fabelachtig zicht op talloze terrils van de Borinage en zelfs het minuscule belfort van Bergen dat vanochtend nog boven mezelf uittorende.
De innerlijke mens versterk ik iets verderop, op een letterlijke (vuur)steenworp van Frankrijk. In Grand-Reng is de Franse grens amper honderd meter verwijderd van het Pad. Best een aardig dorpje, met vriendelijke inwoners; één man bestookt me met wel twaalfendertig kwalen ter verantwoording waarom hij niet in mijn voetstappen kan treden, terwijl hij dat wel enorm graag zou doen. Toch merk je aan de gehele teneur en het afgeleefde straatbeeld dat Grand-Reng zijn beste jaren al lang achter de rug heeft, toen smokkelaars voor de opening van de Europese binnengrenzen alcohol van Frankrijk naar België smokkelden en er omgekeerd tabak doorgesluisd werd.
Na mijn eigen smokkelavontuur smikkelavontuur kan ik de Samber in bivakplaats Solre-sur-Sambre al bijna horen stromen, maar voor het zover is, wacht me nog een ultieme uitdaging. Geen vechtende Nerviërs dit keer, maar wel het slechtst onderhouden stuk van alle 570 kilometers van het Pad. Voor enthousiastelingen die de GR 129 zelf willen bewandelen: attention bij het Bois du Chêne Houdier! Hier is het gras al in geen eeuwen gemaaid (waardoor woeste netels je kuiten toelachen), verkopen laaghangende takken je rugzak de ene stoot na de andere en is de bewegwijzering ook nog eens heel schaars, waardoor je je enkele kilometers lang afvraagt of dit pad (die naam niet waardig) eigenlijk wel het Pad is. Heel wat gemanoeuvreer en enkele schrammen later word ik gelukkig getrakteerd op een mooie aanblik op het in de muil van Frankrijk geklemde Solre-sur-Sambre.
Eenmaal de Samber-sluisjes overgestoken, word ik nog één keer 600 jaar terug in de tijd gekatapulteerd tijdens de passage langs het imposante, zij het ietwat log ogende kasteel van Solre-sur-Sambre. Een chateau als cadeau na het overschrijden van de 200e kilometer, daar kan ik best mee leven. In het kasteel zelf mijn tentje opslaan, is onmogelijk, maar lang moet ik niet ronddwalen op zoek naar een slaapplaats. Al bij het tweede huis waar ik aanbel, schiet ik de hoofvogel af. Na een verkennend gesprekje (waarbij ik snel duidelijk maak dat ik geen legioensoldaat of smokkelaar ben) biedt een supergastvrije familie me hun tuintje (en trampoline), een lekker omelet en een warme douche aan in ruil voor een relaas van mijn tocht.
De zoon des huizes (die in het derde leerjaar zit) is zodanig onder de indruk van het avontuur dat ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid durf stellen dat hij binnen een decennium ook eens dwars door België zal huppelen. Alsof ik nog niet genoeg verwend ben geweest, biedt de buurman me bij zonsondergang nog een fantastisch smakende frisco aan. Met de meer dan bemoedigende gedachte dat gastvrijheid zelfs in deze benarde tijden voor velen toch geen hol of afschrikkend woord is, val ik in een van brandnetels verstoken slaap.
Wandeldag 7: Solre-sur-Sambre – Le Bout Là-Haut (29 km)
“In the cookie of life, friends are the chocolate chips”
Salman Rushdie
Wow, wat een wondermooie etappe! Als de volledige GR 129-route voor jou iets te veel van het goede is, maar je toch een fantastische dwarsdoorsnede wenst te verkrijgen van het Pad, is deze dagtocht een fenomenale blauwdruk: weidse akkers, meanderende rivieren, hooggelegen kastelen, laaggelegen abdijruïnes en ongestoorde klauterpartijen door betoverende bossen.
Na zes dagen gezwind zwalpen in zuidwaartse richting, is het vanaf vandaag tijd om het vizier drie dagen oostelijk te richten. De ochtendstond kwijlt aanvankelijk nog een fikse regenbui uit zijn mond, maar mijn wonderlijke nieuwe wandelgezellen Emma en Ismail doemen zodanig goedgemutst op voor het chateau in Solre-sur-Sambre dat de regendruppels meteen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Na drie dagen alleen in mijn eigen wereld, is het een godsgeschenk om weer in excellente compagnie te kunnen marcheren.
Keuvelend (en kennismakend, want Emma en mezelf waren tot vanochtend nog vreemden voor elkaar) ruilen we de dorpskern via een hellend tramtalud in voor weelderige weiden en onmetelijke tarwevelden. Van verkeer of mensenmassa’s is gelukkig geen enkel spoor, al slagen we er wel in om middenin een akker een stelletje in een tractor uit hun ‘agrarische’ activiteiten te doen opschrikken. Wandelen is duidelijk niet hun beoogde doel vandaag.
Bij een memorabel uitzicht op de Samber verpozen we even en wordt de betekenis van de levenswijsheid van de dag duidelijk, wanneer we Ismail ontlasten van de eerste lading koekjes (Scholiertjes, jammie!) van het gigantische arsenaal lekkers dat hij heeft meegebracht en -gezeuld. Waarvoor nogmaals enorme dank, Ismail! Hopelijk geen lumbago aan overgehouden? Met een bolle buik krinkelen we via enkele bosstrookjes langs het goed verborgen Château de Grignard en niet veel later langs de rustieke oever van de Samber, alwaar onze voetafdrukken snel vervagen, maar die van een rebelse kat en een dwarse fietser voor eeuwig in het tarmac gegrift blijven staan (of althans tot er een nieuw laagje asfalt gegoten wordt).
Bijna pal aan (de denkbeeldige) kilometerpaal 222 worden onze licht klaterende oeveroverpeinzingen overboord gegooid, want een bospaadje profileert zich (s)links als de eerste echte klauterpartij van het Pad. De Bossenareheuvel, Muziekberg en consoorten van de voorbije dagen waren leuke puistjes als opwarmers, maar nu kan het echte werk beginnen. Onze inspanningen worden beloond in het prachtige plaatsje Lobbes, dat kan pronken met de oudste kerk van België. Een ideale stek om onze voeten te ontlasten en onze maag (niet enkel met koekjes deze keer) te vergasten.
Waar we gedurende de voormiddag de honger naar natuurpracht al goed hebben kunnen stillen, is het namiddagse toetje des te verrukkelijker. In het uitgestrekte Bois des Waibes cirkelen we van het ene minieme paadje naar de andere statigere dreef. Werkelijk middenin het bos rijst opeens een nederzetting op, die gekenmerkt wordt door een prachtig Zwitsers kasteel, een lekkende watertoren en een regenboogstraat van citéhuizen. Een bontgekleurd, maar eveneens mooi en heel verrassend allegaartje. Dat moeten ook de snoodaards van de Bende van Nijvel gedacht hebben, want in de buurt van dit dorpje dumpten ze veertig jaar geleden verschillende vluchtauto’s.
Vandaag blijven we werkelijk van de ene verbazing in de andere vallen. Via een geitenpad (waar je je soms letterlijk moet vasthouden aan de takken van de bomen om boven te geraken), een magnifiek bosplateau en een afdaling waar de boomwortels je dwingen om Mission Impossible-gewijs te balanceren, staan we niet bijster veel later in de slagschaduw van de ruïnes van de Abbaye d’Aulne. Deze abdij was eeuwenlang een komen en gaan van monniken, Noormannen, gelukszoekers en brandstichters. Ons branderige kuit- en keelgevoel laven we met het delicieuze, artisanale abdijbier (en limonade) in één van de iets minder artisanale cafés die opeens als paddenstoelen uit de grond schieten.
Na de bovenstaand beschreven rist figuurlijke hoogtepunten, maken we ons ten slotte via het royale Bois du Prince op voor het letterlijke hoogtepunt van de tocht tot dusver. In Le Bout Là-Haut overschrijden we voor het eerst de kaap van de 200 meter boven zeeniveau. Dat moet gevierd worden. Een superbe Italiaans feestmaal (met bijhorende Aperol Spritz, Picon, sublieme Siciliaanse vino en twee tot de boord gevulde badkuipen Limoncello per persoon) en een onovertroffen stelplaats voor onze tentjes (waar we eerst ei zo na met een riek verjaagd worden, maar vervolgens door diezelfde beul een voortreffelijk verblijf toegewenst worden) vormen dé perfecte afsluiters van deze eclatante eerste wandelweek.
Wandeldag 8: Le Bout Là-Haut – Oret (34 km)
“And into the forest I go, To lose my mind and find my soul.” “Of all the paths you take in life, make sure a few of them are dirt.”
John Muir
Ons verstand verliezen en onze ziel vinden, zal vandaag geen enkel probleem zijn. Met passages door het Bois de Gozée, Bois de Marbaix, Bois Communal, Bois Belle Taille, Bois Servais-Fontaine, Bois du Prince, Bois de la Ferrée, Bois de Frècheux, Bois du Tournibu, Bois d’Hanzinne, Bois du Rivêres en Bois de la Gatte zien we bijna het bos door de bomen niet meer. Tel daar ook nog enkele modder- en grindstroken bij en we brengen natuurvorser John Muir helemaal in extase. Als meest vreemde tegengewicht ooit voor al die natuurpracht rijst er middenin deze wouddag uit het niets een hels shoppingcentrum ten tonele.
Maar voor we in dat oord van verderf aanbelanden, ontwaken we eerst in het bedauwde, maar al vroeg zonnige Le Bout Là-Haut. Met Jonathan (die ons gezelschap gisterenavond al versterkt heeft) en Thomas (die vanochtend vrolijk uit zijn camionette caprioleert) erbij, huppelen we hoegenaamd kwiek het (eerste) bos in. Het Pad gunt ons tijd om op te warmen met een kilometerlange kaarsrechte eikendreef en enkele dalende, kronkelende bospaadjes langs de Eau d’Heure, die vooral gekend is van de 25 kilometer zuidelijker gelegen stuwmeren, maar hier een veel kleiner (en minder toeristisch uitgebuit) debiet heeft.
Eens het uur geslagen heeft om dat gelijknamige water te dwarsen, werpt zich aan de overzijde een uitnodigende bosflank op die zigzaggend naar het zenit zwabbert. Met onze snoet bijna tegen de hellende grond zweven we naar boven. Alsof dat alles niet uitdagend genoeg is met een zware rugzak om, beslist Thomas om tijdens deze onderneming ook nog zijn mountainbike bij de hand mee te rollen (al komt die fiets hem tijdens dalende stukken dan weer wel van pas, toegegeven). De eikenreuzen maken gefaseerd plaats voor hun iets kleinere berkenbroeders en beukenzusters en na de Eau d’Heure stuiten we ook op diens natte neefje Fond des Haies. In dat fijne, geregeld modderige traject passeren we de spelonk Trou des Sarrazins, waar tijdens het mesolithicum 10.000 jaar geleden al jager-verzamelaars reposeerden.
Onze middagschaft wacht niet in de spelonk, maar enkele kilometers verder. Op een plek die echt het allergrootste caleidoscopische contrast vormt van deze ganse tocht. Van het ene moment op het andere stappen we van onze rustgevende groene oase pal in het langs de N5-steenweg gelegen winkelcentrum La Bultia. Bevreemdend! Waar we urenlang geen levende ziel gezien hebben, worden we nu net niet omvergereden door een waggelende winkelkar en een zebrapadontkennende dieseldrinker. Om maagzweren en CO2-verstokte longen te voorkomen roetsjen we nog even door naar een rustigere picknickplaats. Hier zorgt ravitailleur Stijn (die zelf op de terugweg is van de Ardennen) er met een fris teugje ethanol voor dat onze eigen innerlijke motoren zeker weer warmgedraaid zijn, waarvoor dank!
Omdat het bos ons niet eeuwig in zijn aantrekkelijke macht kan houden, golven we nu een tijdje via grindwegeltjes en open graslanden met bijwijlen onmetelijke vergezichten richting het lager gelegen dorp Gerpinnes. De intussen brandende zon likt hier heel gretig aan onze nekken, waardoor we een magisch smakende Magnum onorthodox mismeesteren. Dat ijsje wijst ons strijdvaardig de weg naar de bomenrijke gouwovergang tussen Henegouwen en Namen, met ons dagdoel Oret enkele boogscheuten ver in die nieuwe provincie.
Wederom boffen we ongelooflijk met een bovenste beste bivakplaats, want we mogen ons tentenkamp opbouwen op het uitgestrekte weiland van een paardenmanège. Genietend sluiten we deze achtste wandeldag af met een Michelinwaardige kampeermaaltijd, enkele welsmakende wijntjes, een gigantische fles cider, gretige, goeie gesprekken en naderhand enkele snurkaria’s, met panoramisch aan de ene kant curieuze, zacht briesende paarden en aan de andere kant het bos dat ons over enkele uren uitnodigend zal toewuiven. Wat kan een mens nog meer wensen?
Wandeldag 9: Oret – Dinant (37 km)
“Believe you can and you’re halfway there”
Theodore Roosevelt
Vandaag kunnen we de saxofoondeuntjes van Roosevelts tijdgenoot Adolphe Sax continu bijna horen schallen in Dinant. Maar voor we aldaar de Maas monsteren, heeft deze golvende dagmars nog enkele fijne verrassingen, ontmoetingen en mijlpalen in petto. Zo overschrijden we de halfweghorde en even later ook de 300e kilometer van de GR 129. Vooralsnog is het een heel voorspoedige en behouden tocht (met slechts enkele blaren, waar het pus al smakelijk uitgestroomd is), die alleen nog maar magischer kan worden.
En zo geschiedt. Na enkele kilometers sluipen we door het gehuchtje Stave, dat geboekstaafd staat als de plaats met het meest hobbelige voetbalveld ter wereld én als bron van de Molignée-rivier. De vallei van deze stroom vormt urenlang ons prachtige amfitheater en herbergt naast vrome vergezichten een handvol eeuwenoude bouwwerken. Bij het opdraaien van een hooggelegen veldweg kunnen we van heel veraf al de monumentale abdijen van Maredret en Maredsous aanschouwen. Voor we het heerlijke abdijgerstenat kunnen combineren met enkele bourgondisch belegde boterhammen, worden ons nog een netelig doolhof, een leuke bospartij en een wel toevallige ontmoeting voor de voeten geworpen.
In de benedictessenabij van Maredret worden we de kapel binnengelokt door een salvo aan goddelijke halleluja’s. Na dat euforische engelengezang lopen we bij buitenkomst pardoes mijn iets oudere evenbeeld tegen het lijf: Jean-Jan wandelt ook de GR 129, heeft krak dezelfde achternaam als mij en is ook afkomstig uit het Kortrijkse (hoewel we elkaar van toeten noch blazen kennen). Enkel onze haardos verraadt dat we geen kosmische tweelingen zijn en dat Jean-Jan al dubbel zo lang op deze aardkluit rondwandelt.
Met Jean-Jan als inspiratiebron durf ik nu al een uitdaging vastpinnen in mijn agenda voor het jaar 2054. Het staat hier zwart op wit: wanneer ik 60 jaar oud ben, wandel ik de GR 129 opnieuw. Benieuwd wat er zoal veranderd zal zijn (laat ons hopen dat er nog enkele bossen van de kap gespaard blijven) en nog benieuwder welke jonge opa’s en oma’s me dan nog willen accompagneren. Als je dit leest, ben je alvast van harte uitgenodigd. Haal die agenda’s maar al boven.
Tijd om terug te teleporteren naar het heden. Ietwat beneveld door de magistrale Maredsous-bieren marcheren we vlot de saaiere toegangsweg naar het bezoekerscentrum uit, om vervolgens weer bij zinnen te komen bij de aanblik van de geruïneerde, maar daarom niet minder indrukwekkende Montaigle-burcht. Het lijkt alsof soldaten eeuwen geleden vanuit dat Arendsnest reusachtige stenen naar beneden gegooid hebben, want een wel erg rotsig klimmetje leidt ons zwetend naar het oorlogsmonument in Haut-le-Wastia (dat Franse soldaten herdenkt die in 1940 door de Duitsers in de spreekwoordelijke pan gehakt werden).
Hier nemen we (een eerste maal) afscheid van Thomas, die het wandelen inruilt voor een fietstocht terug naar zijn camionette. Twee dagen lang heeft hij zijn stalen ros meegezeuld, waarvoor chapeau! Die lofbetuigingen kunnen we hem persoonlijk nog een tweede keer influisteren wanneer hij ons even later weer passeert met de leuze “Verkeerd gereden!”. Niet alle routes zijn duidelijk even goed aangegeven als de GR 129.
Met nu enkel nog Jonathan aan mijn zijde reppen we ons naar Dinant. Dat reppen kan je best letterlijk nemen, want we kletteren al traillopend de heuvelflank naar de Maas af. Beneden aangekomen blijft de stad ons knipogend teasen, maar het Pad heeft ultiem nog een ferm heuvelende bosflank klaargestoomd voor onze komst. Een heel plezant laatste stuk in alle stilte, wat bij het overschrijden van de beroemde Pont Charles de Gaulle (met zijn erehaag van saxofoons) en het gelijktijdig opdoemen van duizenden dagjestoeristen (die na twaalf meter wandelen al toe zijn aan een ijsje) wel verandert.
Aan Dinant zelf bewaar ik schitterende, maar ook hachelijke herinneringen, want de laatste keer dat ik er was (voor deze tocht), brachten we met onze vriendengroep de nacht net niet door in de politiebajes. Omdat ik geen slapende honden wil wakker maken (of wanted-posters uit de politieschuif wil zien opgerakeld worden) en de wandelqueeste graag zonder vertraging wil voortzetten, houden we het nu ietwat beschaafder.
Samen met Emma, Ismail (die vanuit Maredsous de liftende vlucht vooruit genomen hebben) en Jonathan genieten we van een rustige, dit keer officiële, kampeerspot aan de Maaskant en jagen we nadien een prosecco en ettelijke liters bier door ons keelgat in het beruchte (althans voor ons) Café Le Monaco. Dit nachtelijke drinkgelag levert nog een nieuwe mijlpaal op: voor het eerst op deze tocht overschrijd ik op dagbasis de kaap van de veertig wandelkilometers. Of dat nu op het laatst rechtlijnig of ietwat zwalpend was, wordt niet in de statistieken bijgehouden.
Dag 10: Dinant – Wanlin (35 km)
“Geluk is nooit een staat van evenwicht. Geluk is altijd in beweging, altijd onderweg en het enige wat je kunt doen, is het spoor volgen.”
Paulo Coelho
In Paulo Coelho’s magnum opus ‘De alchemist’ trekt het hoofdpersonage helemaal vanuit Spanje door de woestijn naar de Egyptische piramides. Zo’n zanderige zwerftocht staat niet in mijn routegids vandaag, maar wel een bede- en Lessevaart in de Condroz en het voorgeborchte van de Ardennen. De volgende drie dagen ontplooit dit epistel zich weer in de eerste persoon enkelvoud, want in Dinant wuif ik mijn metgezellen helaas gedag.
Veel ruimte om tranen te laten is er niet, want al mijn lichaamsvocht wordt snel opgeslorpt en uitgetranspireerd in zweetparelende vorm. Met de steile citadel van Dinant als aperitiefhapje stijgt het Pad de eerste tien kilometer prompt van honderd naar 300 meter boven zeeniveau. Deze route door open velden, miezerige bosjes en abominabele steenslagpassages kenmerkt zich door de ontelbare kapelletjes op weg naar bedevaartsoord Foy-Notre-Dame. In dit nochtans godvergeten plaatsje zou een oud Mariabeeldje er in de 16e eeuw voor gezorgd hebben dat Dinant bevrijd werd van de pest en de cholera. Gelukkig geen dergelijk ziekelijke taferelen onderweg, maar wel een bidonpitstop in het allerkleinste cafeetje ter wereld. Wie het befaamde Leuvense kafaat ‘Inn ’t Joor 1’ kent, kan zich wel inbeelden hoe petieterig klein dit café moet geweest zijn.
Na een vluchtig schietgebedje laat het golvende plateau van de Condroz zich van zijn allermooiste kant bezichtigen. Het is geen wonder dat de kasteelheren van Boisseille en Vêves hier in lang vervlogen tijden een bescheiden chateautje lieten neerpoten. Op een laatste klimmetje voor de liederlijke afdaling naar de Lesse, kruis ik nog een gedenkwaardige klas fietsers (wellicht op bosklassen), waarbij werkelijk alle bestaande emoties op de gezichten van de naar beneden roetsjende leerlingen af te lezen zijn: gaande van de killerblik van Mathieu Van der Poel bij de eersten tot ware Daisy Domergue-doodsangst bij de allerlaatsten.
Ieders doodsangst zou stante pede verdwijnen bij het opdraaien van de Lesse-oever in Gendron. Hier wandel ik acht schitterende kilometers lang stroomopwaarts bijna met mijn voeten in de meanderende rivier, wip ik over rotsen, verlaat ik de Lesse soms heel even voor een gelukzalig grasland en laveer ik vervolgens via enkele laddertjes weer naar de oever. In een schilderachtige rivierbocht houd ik halt voor een zalig ongestoord middagmaal.
Volgens mijn oorspronkelijke planning zou ik iets verderop in het kampeerparadijs Houyet al halthouden, maar Paulo Coelho’s wijsheid “Geluk is altijd in beweging” indachtig (en omdat ik er nog zin in heb), volg ik het wit-rode spoor nog wat verder. Die extra dagkilometers beklaag ik me geenszins, want na een stevige, brede klim naar het Bois du Tcherau (in de buurt van de restanten van Leopold II’s illustere Château Royal d’Ardenne) ontluiken prachtige panorama’s over de Lessevalei.
Met die portretten op het netvlies gebrand (en wetend dat er morgen nog veel meer Lesseplezier wacht) stap ik de kleinschalige camping van Wanlin tegemoet. Hier word ik onverwacht terug gekatapulteerd van de Ardennen naar Antwerpen, want de eigenaar heeft ’t Stad enkele jaren geleden verruild voor dit veel mooier stukje parking. Omsingeld door twee Hollandse fietssters en een kwintet verdwaalde lanterfanters (die vandaag naar eigen zeggen honderd keer dezelfde boom gezien hebben en wellicht nog steeds denken dat ze in het Antwerpse Stadspark vertoeven), zonder ik me toch nog even af naar de ravissante rivier voor enkele gelukzalige avondlijke mijmeringen.
Dag 11: Wanlin – Lesse (37 km)
“What day is it?” asked Pooh. “It’s today” squeaked Piglet. “My favorite day” said Pooh.
A.A. Milne
Terwijl Winnie the Pooh en zijn antropomorfe vrienden volop van elke dag genieten in het Honderd Bunderbos, doe ik hetzelfde tijdens deze eerste echte Ardennenetappe. Qua parcours (en daaropvolgend avondlijk animo) zou ik zelfs durven stellen dat dit mijn meest favoriete wandeldag was van de hele queeste.
Voor het Pad vandaag uitdagend en uiterst leuk wordt, strijkt zich eerst nog een kaarsrecht laatste streepje Namen uit, met passages langs het tank- en eetstation aan de E411 in Wanlin (dat elke routier op weg naar de Ardennen zich sowieso herinnert omwille van de synchrone pyramidevorm van de gebouwen), door het ietwat verwilderde Wanlin-bos en binnen schootsafstand van het kasteel van Lavaux-Sainte-Anne (dat wel wat gelijkenissen vertoont met het chateau in Solre-sur-Sambre).
Enkele hectometers zuidelijker luidt het credo ‘kort venijnig klimmen’ naar de Luxemburgse grens, alsof het Pad stipuleert dat je toch enige moeite moet doen om deze laatste provincie (waar we nog een week fenomenaal in zullen rondhossen en -bossen) te mogen betreden. Terecht! De zuiderse provincie reikt vervolgens meteen het eerste echte dennenbos en een megalomane steengroeve aan. Ook culinair trek ik onverwijld de Luxemburgse troef met een enorm smakend broodje met (het geografisch beschermde) Jambon d’Ardenne. Terloops even sluikreclame maken voor Boucherie Lefèbvre et Fils: de allerbeste en overvloedigste slagerij langs het hele Pad.
Die stevige charcuteriemaaltijd komt goed van pas, want van hieruit begint de echte fun. Waar de groene bosvlekken in de topogids tot dusver vooral lappendekens waren, kleuren (en geuren) bijna alle plattegronden tot het einde van de tocht nu volledig groen. Au revoir bewoning, bonjour betoverend bos! Nu is het echt genieten geblazen met het significantste reliëfverschil tot dusver. Onder het dichte bladerdak en op de knerpende, stenige aarde winnen we bijna 200 meter over een afstand van vijf kilometer. Boven aangekomen werpt het Pad me nog twee onverwachte, maar leuke hindernissen voor de voeten. Eerst versperren enkele reusachtige gekapte bomen me zodanig de weg dat ik op handen en voeten wegglijdend een geïmproviseerde en geaccidenteerde omweg moet maken. Niet veel later sta ik plots nietsvermoedend middenin een scoutskamp, waar een tiental jonge avonturiers me op net dezelfde wijze nastaren als koeien doen wanneer ze een trein zien passeren.
Na dat aangapende schouwspel blijft stijgen en dalen het devies richting de levendige, laverende Lesse. Waar die gisteren nog relatief breed en rustig schipperde, amuseert de stroom zich hier stroomopwaarts onstuimiger met enkele stroomversnellingen. Dit is echt een fenomenaal stuk, waarbij het pad zich op enkele decimeters afstand van de klaterende rivier rond bomen en rotsjes wurmt. Een (tijdelijke) padswijziging raadt aan om rechts van de rivier te blijven ploeteren, wat ik zonder morren opvolg, want het gras lijkt hier zeker niet groener aan de overkant. Deze passage ademt ‘Ardennen’ in al zijn ongerepte schoonheid.
Aan alle mooie liedjes komt een eind, dus ook aan dit wonderlijke wandeldeuntje. Maar de epiloog van deze etappe is minstens even memorabel. Na de passage over een idyllisch brugje kom ik aan in het gehucht (dat maximaal een dozijn huizen telt) met de toepasselijke naam Lesse. Hier hoef ik zelf geen everzwijn te jagen voor mijn avondmaal, maar kan ik rekenen op het schitterende gezelschap van Jonas, Laurein en Diederik, die ruim twee uur gereden hebben door helse stortbuien (die ik gelukkig niet heb moeten verduren onderweg) om hier een barbecue te organiseren.
En wat voor één, met borrelhapjes, vlees (waaronder mijn geliefkoosde gemarineerde fakkels) voor een heel legioen en de benodigde dosis dorstlessers (die we kunnen koelen in de Lesse zelf). Dat mijn compagnons aan alles gedacht hebben, wordt helemaal duidelijk tijdens een kortstondige avondlijke zondvloed: uit het niets toveren ze een partytent tevoorschijn om onszelf en ons vlees van de verdrinkingsdood te redden. Wat een heerlijke dag in een hemels decor wederom!
Dag 12: Lesse – Bertrix (38 km)
“Da’s eens iets anders dan op de kemping op onze luie krent zitten”
Niet nader geïdentificeerde Nederlander, in de buurt van Bertrix
Bovenstaande noorderbuur mag straks zijn zegje doen, maar op mijn luie krent hoef ik zeker niet te zitten tijdens deze laatste solodag. Qua lastigheidsgraad kent deze etappe zijn gelijke niet, want vandaag wordt er steevast gestaag gestegen richting het letterlijke hoogtepunt van het Pad.
Vanuit onze bivakplaats kruis ik eerst de GR 14 (die van Parijs naar Malmédy loopt over ongeveer dezelfde afstand als de GR 129; een ideetje voor een volgende onderneming!), waarna mijn geliefde Lesse zienderogen kleiner wordt. Zowel in debiet alsook omdat het Pad het rivierdal stevig uitmarcheert. Bij de fotogenieke Pont de la Justice scheiden onze (water)wegen definitief.
In het statige woud, waar dennen en loofbomen elkaar niet naar het leven staan, ontmoet ik zeldzame, maar heel joviale GR 129-lotgenoten die het pad in omgekeerde richting bewandelen. Naar elkaars reisdoel moeten we niet vragen, want onze zware rugzakken verraden ons al voor we effectief iets tegen elkaar kunnen zeggen. Met gezonde jaloezie mijmer ik heel even over alle pracht die zij de komende weken nog zullen ontdekken, maar omgekeerd verzekeren zij me dat er nog wonderbaarlijke wandeldagen in mijn verschiet liggen. Hier dringt het toch ook tot me door dat ik al best een aardig eindje gewandeld heb: de 400e kilometer is net voorbij gegleden. Ruim twee derde van de queeste zit er dus al op. Blijven genieten van elke morzel wandelgrond die nog rest, want voor ik het weet is het gedaan.
En genieten lukt zonder veel inspanning in dit wandelparadijs, waar naast de hemelstrelende bomen ook steeds meer felgekleurde planten wortel schieten. Na mijn ontmoeting eerder op de dag heb ik urenlang het uitgestrekte bos voor mij alleen (of althans wat betreft alles binnen mijn gezichtsveld). Om te vermijden dat ik te veel in gedachten verzonken raak, houdt het Pad mij op mijn qui-vive met enkele richtingswissels en vooral met een enorm steil bergkammetje (net na het eeuwenoude Château des Fées, waar nu nog slechts enkele muurtjes van resten) waar ik voor het eerst echt als een viervoeter op handen en voeten naar boven mag klauteren.
Na dit gekletter voert een heel brede eikendreef me naar de rand van het Bois de la Haie, waar de geur van bitterballen het aroma van de natuur verdrijft. Vanavond leg ik me te slapen op de beroemde (of beruchte) camping in Bertrix, waar Nederlanders duidelijk een exclave gesticht hebben. Voor ik me aan deze kwetterende kampeerkudde overlever, geniet ik op een bankje nog even van de rust… tot er na nog geen halve minuut een joggende Nederlander luidruchtig naast me neerzijgt.
Uiteindelijk blijkt het best een fijne gozer te zijn, die na wat over en weer gepalaver mijn onderneming zelfs fantastisch samenvat: “Nou sjonge, wat jolig dat je door een hoop geschilderde streepies te volgen dwars door België kan lopen. Kost ook geen stuiver. Misschien doe ik dat volgend jaar ook wel met een makker die even mesjogge is. Da’s eens iets anders dan op de kemping op onze luie krent zitten.” Amen.
Dag 13: Bertrix – Martué (26 km)
“Life is partly what we make it, and partly what it is made by the friends we choose”
Tennessee Williams
Hoewel mijn eerste (kleine)teennagel gisterenavond (pijnvrij) uitgevallen is en het vandaag een druilerige dag dreigt te worden, weet ik sinds vanochtend absoluut zeker dat ik het eindpunt van deze exquise queeste zal bereiken. Want hoewel de solodagen fijn en verrijkend waren, groeit vandaag het wandelgezelschap weer aan richting Aarlen. Ongeëvenaarde kanjers Charlotte en Levi zorgen als eersten voor megalomaan stralende opklaringen.
Onze driemotorige wandeltrein dendert vlotjes het rangeerstation uit naar de Pont de la Blanche, die symbool staat voor één van de spectaculairste, duurste, maar ook meest onzinnige spoorlijnen van het land. Op het einde van de 19e eeuw werd drie decennia lang met man en macht gewerkt aan dit huzarenstukje met talloze tunnels, maar enkel de Duitse bezetter kon (tot twee keer toe) optimaal van deze spoorlijn profiteren. Over het oude treintracé komt er ons nu tot twee keer toe een paard voorbij gegaloppeerd. Terwijl het hoefgetrappel nog nazindert, transformeren we onszelf ook in viervoeters: geen sierlijk voortschrijdende paarden, maar wel zwaarbepakte muilezels. Over een heel stevige bosklim waar maar geen einde aan lijkt te komen, hijsen we ons met veel voldoening naar boven.
Een intermezzo om onze volgelopen wandelschoenen uit te gieten later kronkelen we langs het bergbeekje Antrogne, dat ons klaterend de weg wijst naar een sublieme eerste aanblik op de Semois. Daar is ie dan, de rivier waarvan we over vier dagen de bron bereiken in Aarlen. Een perfectere plaats om te picknicken moet nog geschapen worden.
Vastberaden om de reeds overgestoken waterwegen de loef af te steken, gooit de Semois meteen al haar charmes in de strijd. Eerst duldt de rivier ons uitdagend langs haar prachtige oever, vervolgens speelt ze hard to get door ons even af te stoten richting haar brozere (en hoger gelegen) rivale Etang des Epioux, om ons uiteindelijk helemaal te verleiden met een immens innemende inkijk in haar diep ingesneden vallei. Ik spring heel schaars om met het woord adembenemend, maar hier is het écht wel op zijn plaats. Vanop de Roche Pinco kijken we verbluft neer op de meanderende rivier en de haar omringende onmetelijke, alle groene tinten uit het kleurenspectrum bevattende bossen. Wat een heerlijk hoogtepunt!
Met stomheid en enige ontroering geslagen wagen we ons tegenwijzerzin het hart van de meander in, waar we nog zowel een prachtig als een gatlelijk panorama voorgeschoteld krijgen, respectievelijk een plekje waar de bomen weer wonderlijk wijken voor een voortreffelijk dieptezicht en een tegenliggende boskakker die maar net tijdig zijn derrière kan bedekken. Wanneer we vervolgens (voor het eerst vandaag!) het bos uit struinen, worden we opnieuw verwend, ditmaal met een kiekwaardig kikkerperspectief op het stadje Florenville. Hier hebben de Ardennen hun plaats op de plattegrond definitief afgestaan aan de minder grillige, maar zeker even guitige Gaume-streek.
De intrede in Florenville zelf is voor morgen, want nu settelen we ons meer dan voldaan op de Camping à la Ferme in het gehucht Martué. Voor een appel en een ei slaan we onze tenten op tussen paarden, ganzen en geiten, warmen we ons op rond het kampvuur, laten we het competitiebeest in onszelf los met een set spikeball, palmen we het knusse lokaal van de jeugdbeweging in, eten we pastasoep (wat een combo!) waar zelfs Hanssens Catering het recept van zou wensen, rochelen we met een fantastische fles rode wijn, goochelen we wysiwiggewijs met woorden tijdens Junior Scrabble en genieten we ten slotte van een vurige familiale zangstonde.
Dag 14: Martué – Sommethonne (35 km)
“Vraiment, c’est ici un val d’or”
Mathilde van Toscane, 1076
De gouden era blijft aanhouden voor onze wandelgilde, want in het fleurige Florenville (van waaruit we een laatste tedere terugblik werpen op de Semoisvallei) verrijken Evelyne en Michael onze ritmisch voortschrijdende processie, die vanmiddag zal halthouden in de om meerdere redenen aanbeden Abdij van Orval.
Na een strookje dat moeilijk kan kiezen of het liever bos dan wel grasland is, prevelen we ons laudengebed in de Romeinse nederzetting Chameleux. Nu zijn de ruïnes wel erg weggekwijnd, maar net voor het begin van onze jaartelling was dit oord zo belangrijk dat de heirbaan van Trier naar Reims hier zijn enige bocht in het ganse traject maakte. Terwijl ik weer even imaginair de legioensoldaat in mezelf loslaat (terugdenkend aan de zesde wandeldag), paraderen we een poosje met onze linkervoet in België en onze rechtervoet in Frankrijk over een smalle aardeweg. De GR 129 verlegt zijn grenzen.
Al te gauw is het tijd voor ons middaggebed. En waar kunnen we beter de wandelgoden aanroepen dan in Orval? In de abdijbrasserie L’Ange Gardien versterken we onze innerlijke bewaarengel met een nergens elders te verkrijgen Orval Vert (die ook de monniken van de uitdroging redt), een delicieuze vieux Orval temperé en een minder glazen boterham met abdijkaas. Een ontdekkingstocht door de oude abdijruïnes (waar we teletijdmachineloos van de 12e naar de 18e eeuw stappen) en een rondo rond de legendarische Mathildebron (waar bovengenoemde jonkvrouw Mathilde, een forel en een verloren gewaande ring de mythe van Orval vormgeven. Voor de volledige legende verwijs ik u graag door naar mijn advocaat J. Heyvaert) dienen zich aan als smakelijke toetjes. Iets minder appetijtelijk zijn een arsenaal abominabel ruikende en wegversperrende toiletten die net leeggepompt worden terwijl we de abdijelijke aftocht blazen.
Vanaf nu zoeken we urenlang de gulden middenwegen op langs en in het uitgestrekte Forêt d’Orval, eerst gestaag stijgend over een asfaltweg, vervolgens toeterend langs een spoorweg en uiteindelijk lang en louterend laverend door het statige bos. In deze groene oase laat cineast Michael voor het eerst zijn drone de vleugels strekken. Met schitterende plaatjes en de nodige portie jolijt tot gevolg.
Tot aan de vespers slorpt het bangelijke bos (dat een constante afwisseling is van parallel ademende dennenvelden en kriskras krioelend loofwoud) ons helemaal op. Een witgekalkte barak, met in de nabijheid een dorstlessend stroompje, is het enige teken van beschaving tot we de coöperatieve boerderij Ferme du Hayon in de vooravond aan de einder zien opduiken. Een bloeddorstige hond en een grasdreef die al sinds de eerstesteenlegging van de Orval-abdij niet meer gemaaid is, zijn van daaruit de laatste obstakels naar ons bivakdorp Sommethonne.
Dat het een pittige etappe was, blijkt gauw wanneer enkele der stapgezellen ter plekke op sterven na dood neerzijgen in het uitnodigende gras. Wanneer op dat eigenste moment net het prachtige kwintet powervrouwen Camille, Isalien, Evie, Louise en Lien ons ontmoet, slaat bij sommigen van hen de schrik ogenblikkelijk om het hart bij het aanschouwen van die doodstrijd. De vermoeidheid, pijnlijke voeten en gezonde stress voor morgen worden kort nadien gelukkig uit ieders geheugen geband tijdens een absoluut onvergetelijke avond. Misschien wel de tofste en meest memorabele avond van de gehele queeste.
De zoektocht naar een slaapplaats begint nochtans eerder stroef wanneer we foutief in Frankrijk belanden, maar een uiterst aimabele man (die het blijkbaar niet nodig vindt om zijn broek vast te gespen voor hij de deur opendoet) gidst ons naar een locatie die veel beter is dan eender welk vijfsterrenhotel. We mogen ons (intussen met tien kornuiten) placeren in een weidelijke privépassage tussen de paarden. Zalig!
Terwijl de zon al in dromenland verzonken is, vatten we uitgehongerd een frietfestijn aan (waarbij we ontdekken dat De Romeo’s XXL-frikandellen zelfs in de Gaume een hype zijn), wordt het beruchte vingerspel nog wat verder over de globe verspreid en trekken we een vat vol verhalen open. Ik verbaas mij er nu nog steeds over hoe wonderbaarlijk snel tien individuen waarvan de helft elkaar tot enkele uren voordien van toeten noch blazen kende, zo stevig konden samenklitten. En dat alles met het geschifte gemeenschappelijke doel voor ogen om eens een wandelingetje te gaan maken in het uiterste zuiden van België. Bucky Laplasse zou fier als een gieter geweest zijn als hij had aanschouwd hoe snel onze ‘bunch’ een ‘team’ geworden is.
Dag 15: Sommethonne – Virton (35 km)
“Keep your face to the sunshine and you can never see the shadow”
Helen Keller
Na een ochtendlijke portie paardenparlee en een kattenwasje in het bijhorende beekje gaan we met tien geestdriftige zonnekinderen op pad voor wat een snikhete stapsessie naar het zuidelijkste dorp van België belooft te worden. Met onderweg vier venijnige klimmen (die niet van onregelmatige Ardennenmakelij zijn, maar toch voor tintelende kuitspieren zorgen) hebben we het groot lot gewonnen.
Werkelijk van meet af aan lachen het geluk en de grandioze Gaume-omgeving ons toe. Als nietige, voortstrompelende wezens bewonderen we het oneindig uitgestrekte panorama: een geweldig golvend amalgaam van akkers en weiden, dooraderd met parelmoergroene bosnerven. Rechts aan de horizon tekenen zich zelfs de dromerige dubbeltorens af van de kerk van het Franse Avioth. Het blijft niet enkel bij vergezichten over Frans Lotharingen, want we duiken zelf ook even de tarwevelden over de landsgrens in. Le jour de gloire est arrivé!
Een glorieuze asfaltafdaling later beseffen en zien we omringend dat we vanuit dit zinkgat meteen weer quasi loodrecht de gras- en macadamhelling van Montquintin mogen mennen. Wat iedereen met verve doet. Een ideale opwarmoefening dus voor de muur der muren naar Torgny, die de de wijde en weide-omgeving domineert. Ter hoogte van het Sint-Niklaaskerkje aan de voet van die muur vragen we de goedheiligman nog snel om miraculeuze springveren in (of onder) onze schoentjes te monteren, alvorens het van dattum is. Langs alle kanten weerklinkt gepuf en gekraak van tientallen gewrichten, maar de bovenaanzichtelijke terugblik op de door ons omgeploegde omgeving heelt stante pede alle pijntjes.
Een oplopende uitloper in het eerste bos van de dag is obligatoir vooraleer we ons echte zuiderlingen kunnen noemen. Het grensdorp Torgny heeft geen Franse sterallures, maar we wanen ons er zonder overdrijven even in de Provence. Met zijn ligging op een zuidelijke heuvelflank, natuurlijke bescherming tegen windvlagen en kalkhoudende bodem heerst er een microklimaat waar wijnranken gretig gedijen. De gele zandstenen huisjes, die allemaal rijkelijk gedecoreerd zijn met roze rododendrons, versterken het zonovergoten vakantiegevoel.
Temps pour déjeuner, niet sur l’herbe, maar wel in de enige brasserie van dit pittoreske dorp. Ons bourgondische middagmaal wordt anderhalf uur later meteen in energie omgezet tijdens de laatste lange laan bergop. Na de passage aan het optrekje van een kluizenares die hier al veertig jaar resideert, zoeken we met onze charmante tienkoppige colonne geruime tijd de stilte en schaduw van het grensbos Bois de Guéville op. Een persoonlijk bijblijvend hoogtepunt (of eerder dieptepunt) is de Duvel die ik cadeau krijg bij het overschrijden van kilometerpaal 500. Meteen goed voor de allerslechtste ad fundum van mijn leven. Ad libitum rangeren we verder door het groen (help, wat tellen de kilometers ineens snel af!), tot we vanuit een arendsnest aan de bosgrens getrakteerd worden op een vrij voortreffelijke view op Virton.
In het stadscentrum zelf slalommen we over de Vire-rivier en rakelings langs de Ton-beek. Virton dankt uiteraard zijn naam aan de samentrekking van beide stromen, zou je dan denken, maar blijkbaar is dat een broodjeaapverhaal (en is de stadsnaam in werkelijkheid ontleend aan het Latijnse Vertunum, wat versterkte heuvel betekent). Excuses aan alle wandelmakkers die ik deze foutieve info heb doorgesluisd. En nu ik toch in sorry-stemming ben: mea culpa aan iedereen onderweg voor de soms ietwat verbloemende afstandsaanduidingen. Ik deed het zonder kwaadaardige bedoelingen (al besef ik dat sommigen vandaag de dag nog steeds heel argwanend reageren als ik voorstel om een ‘klein’ wandelingetje te maken).
Enkele honderden meters (in werkelijkheid een drietal kilometer) verderop ploffen we super voldaan en ietwat afgepeigerd neer op de camping. Neofieten en animatoren van dienst Justine en Christof (die morgen meewandelen) zorgen ervoor dat alle blaren en uitvallende teennagels meteen vergeten worden. Vooral Christof werpt zich op als een volleerde comedian; zijn anekdote over Keun en Keun Keun Keun is nu al immaterieel erfgoed. Wanneer een vriendelijke ober vervolgens ei zo na zijn ontslagbrief gepresenteerd krijgt, enkel en alleen omdat hij ons lachende gezelschap nog niet tentwaarts heeft gejaagd, besluiten we dat het stilaan welletjes is geweest voor deze hoogdag.
Dag 16: Virton – Bébange (34 km)
“Keep your eyes on the stars, and your feet on the ground”
Theodore Roosevelt
Fantaseren over onbereikbare sterrenstelsels mag (en aan het einde van deze etappe zullen we er zowaar een wonderlijke kans toe krijgen), maar genieten van het hier en nu waar je voeten je toe leiden, is minstens even belangrijk. Vanaf deze voorlaatste dag besef ik nog sterker dat ik alle indrukken van deze onvergetelijke queeste echt moet proberen te absorberen als een spons, want zo’n fantastische trip (met nog fantastischer gezelschap) maak je normaliter geen tien keer in je mensenleven mee. Het reuzeGrote Woud van Virton schotelt mij en mijn zeven koene kompanen gelukkig legio redenen tot aards genieten voor. Maar liefst twintig kilometer lang stappen we vandaag ongestoord door het machtige woud.
De groene intrede is linea recta veelbelovend met een passage door het almachtige Arboretum, waar meer dan tachtig boomsoorten en nog veel meer zeldzame planten ons toewuiven. Ook verderop blijft het bos veel uitheemser aanvoelen dan de geordende bospercelen dichter bij huis. Middenin die wildernis rijst de kleine kapel van Bonlieu ten tonele, alwaar we bidden dat de dazen de komende uren iets minder hongerig zullen zijn. Tevergeefs. Het Pad doet er alles aan om ons onze insectenbeten te laten vergeten, want met de vallei van de Ruisseau de la Neuve Forge krijgen we nog een plezante nieuwigheid voor de voeten geworpen. Hier spartelen we zalmgewijs door de beekbedding naar boven. Het stroompje is bijna die naam niet waardig, maar het is toch grappig hinkelen geblazen om geen nare nattigheid op te lopen.
Na een prachtige picknick in het hart van het bos laveren we via een heuvelkam naar een schitterende selfieplaats. Vanaf dit uitkijkpunt strekken superbe dennengroene bossen zich aan weerszijden van enkele diep ingesneden beken uit. Wanneer we even verderop langs gerooide bomen en door gigantische bulldozersporen ploeteren, oogt dat tafereel iets minder idyllisch. Op die eigenaardige plek spitsen we wel heel alert de oren wanneer we denken een aap te horen brullen. Die (loze) aap komt al snel uit de mouw als blijkt dat het ging om een onomatopeeënde Camille die tot haar navel in de bulldozersmurrie was verzeild.
Aan de smakelijke Saint-Léger-stroom vullen we (meermaals) onze bidons, voorbereid om niet veel later het wonderlijke woud weemoedig te verruilen voor branderige weilanden. Vanuit Châtillon strompelen we een stenige en stevig hellende strook op. Dit stoere stuk is helaas ook de laatste verschoten cartouche van Evie, Louise, Justine en Keun, die vanavond nog richting hun eigen mansarde moeten rijden. Toen waren we nog met drie. Samen met Isalien en Camille fluit ik nu de laatste loodjes en liedjes richting Aarlen. Voor we daar morgenavond aankomen, wacht ons in de lichte schemering nog een donker, maar evenzeer dromerig bospaadje richting bivakplaats Bébange.
In de diep ingesneden tuin van twee levensgenietende toppers vallen we met ons gat in de boter, of beter gezegd in de kalkhoudende zandgrond. Vooraleer we onze rugzakteugels vieren, draaien we nog enkele tuintoertjes om op veertig afgemaalde dagkilometers af te klokken. Dat verdient een beloning, is het niet? En zowaar, enkele ogenblikken later baden we in een jacuzzi! Dat het borrelende water ijskoud is, is een voetnoot die in de overlevering verloren gaat. Onze laatste avond onderweg sluiten we af met een puik pastamaal (gekookt op de laatste gasrestjes van mijn butaanfles, ideaal), een welverdiend wijntje en gehypnotiseerd starend naar een der subliemste (en van pollutie verstoken) sterrenhemels ooit. “Keep your eyes on the stars, and your feet on the ground”, wordt zo wel wonderbaarlijk toepasselijk.
Dag 17: Bébange – Aarlen (26 km)
“The only impossible journey is the one you never begin”
Tony Robbins
Enkele maanden geleden was het een lonkend avontuur aan de einder. Zestien dagen geleden werd het menens aan de wandelwegwijzer in Brugge, maar verkeerde ik nog in het absolute ongewisse. Wat zou dit Pad voor me in petto hebben? Zou ik überhaupt de finish halen? Nooit of te nimmer had ik het sensationele scenario van de dagen nadien kunnen bedenken. En nu, nu rol ik voor de laatste keer mijn matje op, breek ik voor de laatste keer mijn tent af en snoer ik voor de laatste keer mijn wandelschoenen toe. Helemaal klaar om 26 kilometer lang glimlachend van oor tot oor met twee magistrale metgezellen naar de bron van deze langeafstandsroute te stappen.
Deze eindmars roept ogenblikkelijk landschappelijke herinneringen op aan al het voorgaande: een kortstondig klimmetje om Klaas Vaak te verdrijven, een hooggelegen weidewegel en gejojo in het jeugdige Jongebësch-bos. Aan de bekoorlijke bosvijver haalt een automobilist (een BMW-bestuurder, uiteraard) ons uit onze dagdromen door zich hopeloos vast te rijden op een afgezaagde boomstronk. Snugger. Na dit onverwachte intermezzo belanden we voor het eerst sinds heel lang weer in aaneengeregen woonkernen. Aan de overdadige aanwezigheid van Luxemburgse nummerplaten te oordelen, ligt het Groothertogdom binnen handbereik. Als we ons vizier nadien (aan een vierkantshoeve die een dorp op zich vormt) van het zuiden naar het noordwesten richten, vangen we een eerste blik van Aarlen op.
Om die nabijheid van ons einddoel te vieren, houdt een ijskar (die we al minutenlang melodieus hoorden aansnorren) ons staande. Een perfect afgelikt aperitiefhapje, waarbij ik er toch maar mooi in slaag om mijn twee bolletjes ijs op de grond te laten vallen. Een klassieker. Gelukkig komt de vijfsecondenregel te mijner redding. Na dat ijsje (dat niet met gekleurde suikerspikkels, maar met grassprietjes versierd is) en een smakelijke picknick snijden we de allerlaatste bospassage van het Pad aan. Snif, snif.
Vanuit Clairefontaine (het bedevaartsoord, niet het papiermerk en al zeker niet de verbasterde watergigant) cirkelen we stellig naar het zenit. Dat zenit openbaart zich hier als een landsgrens, want door een zandbak van een kleine kilometer kort struinen we over Luxemburgs grondgebied. Nog voor we onze Lëtzebuergse woordenschat kunnen etaleren, verwelkomt ons eigen landje ons alweer met een nog fenomenaler uitzicht op Aarlen dan daarstraks. Onwezenlijk bijna dat het einde (gelukkig niet der tijden) nabij is.
Tijdens de laatste duizenden voetstappen steken we via stapstenen nog de bescheiden Baach-beek over, krijgen we de zegen van enkele koeien langs de ranke Renterkapell en krijgen we in het stedelijke voorgeborchte de uitstekende tip om bij aankomst zeker de plaatselijke specialiteit Maitrank (da’s wijn met lievevrouwebedstro en sinaasappel) te proeven.
En dan duikt (na enkele grauwere toegangswegen naar de provinciehoofdstad) pardoes de bron van de Semois en bovenal van deze waanzinnige queeste op. Het bronbassin is enerzijds zo speciaal (omwille van het voorafgaande 17-daagse verhaal), maar anderzijds ook zo doodgewoon en eenvoudig. En da’s perfect zo. Want deze tocht gidst je doodgewoon langs ontelbaar veel hoogtepunten die vooral speciaal zijn in hun natuurlijke eenvoud.
Als allerlaatste toemaatje bestijgen we enkele meters naast het Pad nog de heuvel naar de Aarlense Sint-Donatuskerk, van waaruit we een uitmuntend uitzicht hebben op zowel België, Luxemburg als Frankrijk. Om die symboliek nog te versterken, speelt de beiaard bij onze aankomst voor één keer niet het Luxemburgse volkslied Zu Arel op der Knippchen (zoals alle overige 364 dagen van het jaar om het uur wel het geval is), maar weerklinkt warempel de Brabançonne. O dierbaar België, bedankt om je 570 kilometer lang zo prachtig aan me te openbaren!
Op dat eigenste moment flitsen nog veel emoties door mijn hoofd, maar dankbaarheid is sowieso de prominentste. Enorm bedankt aan de meest sublieme stapvrienden ter wereld, Charlotte, Levi, Jonathan, Sien, Camille, Isalien, Evelyne, Michael, Emma, Ismail, Evie, Louise, Lien, Thomas, Stijn, Laurein, Christof, Justine, Tiel, Justine, Reinout, Hannelore, Anthon, Ine, Laurent, Lukas, Jonas, Sarah en Diederik! Enorm bedankt aan Jean-Jan, voor de inspirerende ontmoeting en voor de foto’s. Enorm bedankt aan alle andere fotografen, cineasten en dronebestuurders! En enorm bedankt aan alle hartverwarmende en gastvrije mensen die ik onderweg heb mogen ontmoeten, die me een slaapplaats hebben aangeboden of die simpelweg mijn waterbidon hebben bijgevuld, want jullie hebben de goedheid van de mens nogmaals ferm in de verf gezet. Bedankt, GR 129, u was onvergetelijk!
Smacht je er in deze coronatijden (waarin we ons cocongewijs verschansen) naar om de wijde wereld in te trekken? Wakkert de psychologische roadtriller ‘GR5’ die wanderlustwaakvlam nog feller aan? Trek dan je wandelbottines aan en stap gerust even (eerst virtueel en hopelijk binnen enkele maanden reëel) mee door het werkelijk wonderbaarlijke walhalla dat Mullerthal heet.
Deze Luxemburgse streek (van het Groothertogdom, niet de gouw), die op drie boogscheutelijke uren rijden van onze hoofdstad ligt, wordt met recht en rede klein-Zwitserland gedoopt. Reusachtige rotsformaties, betoverende bossen, kabbelende kreekjes en charmante chateaus wisselen elkaar 112 kilometer (of zo’n 155.000 stappen en een drietal blaren) lang af. Dat alles gegoten in een perfect bewegwijzerd en onderhouden wandelpad: de Mullerthal Trail.
Persoonlijke motivatie: Ik ben begin oktober tijdens drie dagen vrijaf verwachtingsvol aan deze trail begonnen (de Luxemburgse snoodaards hadden zich via gesponsorde berichten mijn Facebook-tijdlijn ingewurmd en zo mijn wandelsonar geactiveerd), maar zonder overdrijven is mijn mond tig keer opnieuw (bijna kwijlend) opengevallen van de variatie van het ongerepte landschap, de kleurschakeringen in de alomtegenwoordige bossen en de manier waarop de route perfect uitgestippeld is. Het wandelpad in zijn geheel heeft écht mijn stoutste wandeldromen waargemaakt. En dat alles in onze spreekwoordelijke achtertuin.
🗺️ Puur praktisch: De volledige Mullerthal Trail bestaat uit drie aansluitende lussen van om en bij de veertig kilometer. Voor redelijk geoefende wandelaars is het zeker doenbaar (en heel bevredigend) om elke dag één lus (of een combinatie van halve lussen) rond te wandelen. Maar het is evenzeer perfect mogelijk om te genieten van één route naar keuze, want ze zijn alle drie zonder uitzondering overweldigend mooi. Als avontuurlijk wandelen je dada is (of wordt), loont het enorm de moeite om het oosten van het Groothertogdom met een bezoekje te vergasten. Ontlast nog even je kuiten en laat je hieronder eerst virtueel meevoeren langs de trail…
Dag 1: En route langs oevers, door oerbossen en Meer van dat…
Wie “Echternach” hoort echoën, maakt waarschijnlijk meteen de associatie met een inefficiënte, onnodig traag voortschrijdende processie (althans in de overlevering, want in het echt verloopt de Springprocessie een pak rechtlijniger). Gelukkig denk je er tijdens het eerste deel van de Mullerthal Trail, met Echternach als start- en eindplaats, geen milliseconde aan om op je stappen terug te keren. Na een schietgebedje voor de Sint-Willibrordusbasiliek en bijhorende abdij is het een genot om net voor het ochtendgloren de oevers van de Sauer te volgen (waar aan de overkant ronkende Duitsers van Frühstück, Hühnerbrühe en Pünktlichkeit dromen) en de eerste hectometers van een nog onbekende wandeltocht onder je voeten te zien voorbijglijden.
Die waterige bühne ruimt als schouwtoneel gauw plaats voor de eerste rotsige bospartijen. Een vermetel voorsmaakje van het hoofdgerecht dat de volgende uren en dagen opgediend zal worden. De natuurlijke glooiingen en in het bos assimilerende trappen loodsen je al snel tussen metershoge rotsformaties met illustere namen als Roudeschlëft en Alkummer. Schitterende kilometers lang slinger je nadien verder weg van de bewoonde wereld, over groenbruine heuvelkammen en door waterige en met mos gedrapeerde dalen.
Ook in de open landschappen die de verschillende bossen met elkaar verbinden, krijgen je ogen uitstekend de kost. Weidse panorama’s, dromerige dorpjes met pittoreske pelgrimskerkjes, maar ook een vos (die eerder schichtig dan sluw oogt), een dozijn dartelende edelherten, een horde haastige hazen en een kudde Angus du Luxembourg-runderen laten zich (althans toen ik er was) graag opmerken.
De laatste tien kilometer van deze eerste sectie laten zich weer kenmerken door diepgewortelde en met gemengd woud dooraderde bosgebieden. Na een welverdiende verpozing op het befaamde Liegebed (waar je zintuigen door werkelijk niets anders geprikkeld worden dan zenmakende en tsjirpende vogelgeluiden) en een laatste stevige, spiraalvormige beklimming in het herfstige Haard-bos, word je getrakteerd op een overweldigend uitzicht op het poëtisch mooie Meer van Echternach. “Ik wil (veel) meer van dit”, is het enige dat na die eerste lus door je gedachten dwaalt.
Dag 2: Het hart van klein-Zwitserland openbaart zich als een dromerig doolhof
Voor doelloos dwalen is er op de tweede dag (waarbij ik de helft van de tweede en derde lus gecombineerd heb) geen tijd en ruimte. Waar de eerste dag zich als een eminente entree had aangeboden, kondigt deze etappe zich aan als een nog hemelser hoofdgerecht. 44 kilometer lang wijzen dieprode M’en de wiegende weg door het echte hart van klein-Zwitserland, van Echternach tot in Beaufort.
Een egaal uitgerolde groene loper richting dat eeuwenoude, onregelmatig bonkende hart van de regio is er niet, want meteen na het verlaten van het stadje kronkelt het pad zich zigzaggend het zwerk in. Naar vlakke paden is het in deze sectie (gelukkig) met een loep speuren. In plaats daarvan krioelen rotsblokken en natuurlijk uitgehouwen treden als in een tunneldans tussen de overhangende bomen door. De meest indrukwekkende passage is de Gorges du Loup, of de Wolfsschlucht, een steile spleet waar wolven weleer hun toevlucht vonden.
Vervolgens verandert het pad in een labyrint van mossige stenen en rotspartijen waar je met veel zin voor antropomorfisme dierlijke en menselijke vormen kan in spotten. Deze doolhofsectie is het deel van de GR5-route dat te zien is in de gelijknamige fictiereeks en waar Lisa haar inscriptie “Good memories are for liars” heeft achtergelaten. Een leuze die ik in deze setting maar moeilijk kan vatten, want aan het wandelpad bewaar ik (en duizenden andere avonturiers) alleen maar fantastische herinneringen. Tot aan het epicentrumdorpje Mullerthal openbaren een amfitheater en een erehaag aan kalkstenen muren en spleten zich nog aan de kijklustige stapper.
Bij de mooi wiekende molen van Mullerthal begint de derde lus (en het tweede deel van mijn dag). Hier maken de door de goden uitgestrooide rotsblokken plaats voor iets vertrouwder aanvoelende bossen. Maar de natuurpracht- en kracht worden er niet minder om: een schilderachtige waterval (de Scheissendëmpel), een kalktufbron en een opgehoogd houten vlonderpad zijn ideaal om de voeten even te laten verpozen.
Wat volgt zijn twee krachtige kuitenbijters, eerst een langgerekte klim door het uitgestrekte en uitermate mooie Marscherwald (waar je je bij momenten echt alleen op de wereld voelt) en een cirkelend ezelspad dat abrupt uitmondt in een weids agrarisch vergezicht, van waaruit het gros van de bewandelde bosgebieden minuscule stipjes lijken.
De resterende twaalf kilometer van deze dagtocht zijn er geen als dertien in een dozijn. Aan het begin en einde van deze sectie wordt het prachtige, maar ook bijwijlen piekende pad (dat intussen door kleurrijke bloemenvelden en onmetelijke akkers slingert) in de schaduw geworpen door twee portretwaardige kasteelruïnes, respectievelijk die van Larochette en Beaufort. Binnen klaroengeschalafstand van die laatste mastodont vormen een typisch Luxemburgse quiche, een abdijbiertje en een nieuwe portie Compeed de perfecte afsluiter van een wonderlijke tweede wandeldag.
Dag 3: Donker, licht en alle schakeringen daartussen kleuren het magische Mullerthal
Meer dan een derde van Luxemburg bestaat uit betoverende bossen (ter vergelijking: in Vlaanderen is dat tien procent, al had ik eigenlijk nog minder verwacht), dus het is niet verwonderlijk dat de Mullerthal Trail je ook op zijn derde sectie (een combinatie van de resterende delen van lussen drie en twee) meteen de bossen tegenover de kasteelvijver van Beaufort binnenloodst.
Gelukkig loert eentonigheid nimmer om de hoek. Terwijl de eerste zonnestralen door het loofwoud priemen, voeren talloze houten brugjes je langs, over en door de zacht kabbelende en meanderende Haupeschbaach-stroom. Een meer dan verkwikkende aanloop naar de apotheose van de driedaagse. Vanaf het dorpje Müllerthal tot Hersberg is het acht adembenemende kilometers lang genieten van de natuurelementen, in een soms gestaag, dan weer stevig oplopend landschap.
In dit zuidelijke zenit van de regio rijzen de rotsen nog woester, hoger en op één of andere manier toch gestructureerder op dan elders. De vallende herfstbladeren kerven eerst een doorgang tussen formaties met blinkende en begeerde namen als Goldkaul en Goldfralay. Volgens de legende biedt een jonkvrouw je hier de sleutels tot een verstopte schat in de donkere krochten van de Goldkaul aan. Voor je koortsachtig het sleutelgat zoekt: de jonkvrouw verschijnt enkel voor wie hier om middernacht ronddwaalt. Een ideetje voor een volgende tocht…
Na de passage langs deze feeërieke doorgangen sluit het bos je pas echt volledig in zijn eeuwenoud wiegende armen. In die mate zelfs dat je tot drie keer toe letterlijk opgeslorpt wordt door de rotsen. In de Rittergang- en de Déiwepëtz-spleten manoeuvreer je letterlijk met je schouders tegen weerszijden van de donkere rotswand naar de andere kant van het massief. Nog spectaculairder is de passage door de Kohlscheuer, waar je een aardedonkere rondedans doorheen de nauwe rotspartij kan voltooien. Zorg hier zeker voor wat gsm- of zaklamplicht als je niet naast een schat aan verhalen en impressies ook enkele builen huiswaarts wil nemen. Na deze verscholen holen brengt een 1.000 jaar oude eik (met een Mariabeeld in zijn opengereten stam) verlichting én een ideale picknickplaats.
De allerlaatste wandeluren word je uiteindelijk getrakteerd op een sublieme samenvatting van al het moois van de voorbije dagen: via een heel lichtrijke sectie, waar de hoogste bomen met de fijnste stammen je gedag wuiven, galoppeert het pad verder in hoefijzervorm langs rijzende rotsen en rivierdalen. Gek genoeg is het in de laatste rechte lijn, die via enkele schitterende panorama’s naar Echternach toe sluipt, dat ik voor het eerst even het pad bijster raak en (graag) verdwaal. Alsof de route en mijn eigen (onder)bewustzijn niet willen dat deze magische Mullerthal Trail een ontknoping kent.
“Mir wëlle bléiwe wat mir sin”, luidt het motto van Luxemburg. “We willen blijven wat we zijn”. Alstublieft ja, Luxemburg, dat deze streek met zijn schitterend uitgetekende wandelroute nog voor eeuwig en drie dagen zo magisch mooi mag blijven als het vandaag de dag is.
🗣 “Minuscuul stipje in de Indische Oceaan. Frans overzees gebied. Stop.”
We durven stellen dat 95 procent van de deelnemers aan De Slimste Mens zich op de borst zou kloppen als hij of zij die twee antwoorden richting Erik Van Looy kon bazelen. Enkel de echt ingewijden kunnen daar nog de ontbrekende omschrijvingen “Ongerept wandel-, canyoning- en parapenteparadijs”, “Eclatante vulkanische erupties” en “Delicieuze Creoolse cuisine en gastvrijheid” aan toevoegen.
Tot nu. Want met dit relaas hoop ik jullie even onder te dompelen in de betoverende schoonheid van La Réunion. In dit geval ligt onbeschrijfelijke pracht écht in een klein hoekje. In de Indische Oceaan, met als ‘naaste’ buren Madagaskar (op 700 kilometer afstand) en Mauritius (op 200 kilometer), om precies te zijn.
Réunion mag dan maar 2.500 vierkante kilometer groot (of klein) zijn, maar tien dagen lang wist het eiland ons elke seconde opnieuw met verstomming te slaan. Wat een kick om onder meer op enkele honderden meters van een lavaspuwende vulkaan te staan, die zelfs – als vurige teaser – het journaal in Vlaanderen haalde:
Voor de bibliofoben die nu al leesmoe zijn, onze reis naar La Réunion summier samengebald:
Meest unieke moment: Vulkaanuitbarsting van de Piton de la Fournaise
Een vat vol voldoening: Tweedaagse beklimming van de 3.000 meter hoge Piton des Neiges
Plezantste (en natste) avontuur: Canyoningtocht in een schitterend decor
Hoogtepunt (letterlijk en figuurlijk): Parapentevlucht over land en zee
Meest hart- en maagverwarmende: De Creoolse cultuur, met aimabele bevolking en verrukkelijke keuken
DCIM101GOPROGOPR7533.JPG
DCIM999GOPRO
Dag 1⃣ en 2⃣: Reis rond de (halve) 🌍 en acclimatisatie
Op 23 september 1913 vloog oorlogsheld Roland Garros als eerste de Middellandse Zee over. Bij zijn landing in het Tunesische Bizerte had hij nog maar vijf liter benzine aan boord. 105 jaar na die prachtprestatie stak ook ik voor het eerst die waterplas over, zij het wel met drie mieterse reisgezellen en iets meer brandstof aan boord. Bovendien besloot onze piloot door te vliegen naar de geboorteplaats van Roland Garros, die zich ongeveer ter hoogte van de Steenbokskeerkring bevindt.
Goed voor een luchtreisje van net geen 12 uur. Voor amper 400 euro heen en terug hoorde je ons absoluut niet mokken. Zelfs een Poolse oelewapper die dacht dat de rij voor ons het label ‘schommelstoelen’ droeg, kon onze blijde verwachting niet temperen.
En terecht, zo bleek wanneer onze Roland Garros van dienst bij het heel vroege ochtendgloren (5.30u plaatselijke tijd) de landing inzette nabij hoofdstad Saint-Denis . Nadat onze eerste feces ietwat later in de plaatselijke plee (help, Franse toiletten!) ronddreven en we met onze uitstekende huurbolide de opkomende zon tegemoet reden, ontvouwde zich rondom ons een feeëriek landschap. Vlak voor ons de gezellige hoofdstad, amper tien kilometer landinwaarts massieve bergen en in het noorden de immense oceaan.
Eens we op het terras van ons eerste logement op onze positieven gekomen waren van die impressies, groeide pas echt het besef dat de zon hier de andere richting opdraait, dat we dichter bij pinguïns op Antarctica dan bij Kai-Mook vertoefden, dat je hier gewoon met de euro kan betalen, dat het plaatselijke Dodo-bier verrassend smakelijk (en zeker niet uitgestorven) is en vooral dat tien onvergetelijke dagen in het verschiet lagen.
Naar Réunion moet je zeker niet afzakken als je een stadsmus bent die de hop-on-bus enkel wil verlaten om een grijs bataljon wolkenkrabbers aan een zonnebrilblik te onderwerpen, maar Saint-Denis (dat met zijn 200.000 inwoners een vierde van de bevolking van Réunion huisvest) is absoluut een fijne stad om een halve dag rond te kuieren en zo de in het vliegtuig gegeselde bloedsomloop weer zijn normale gangetje te laten stromen.
Trekpleisters zijn de jardin de l’Etat, de geklasseerde kathedraal, ambtswoningen in een mengelmoes van stijlen en vooral de vroegere haven Le Barachois, die nu dienst doet als ontmoetingsplaats. Daar vergaapten we ons voor het eerst (van ontelbare keren) deze reis tientallen minuten lang trancematig aan de schuimbekkende, beukende en rollende golven van de Indische Oceaan die zich op de rotskust te pletter stortten.
Om de eerste avond op het zuidelijke halfrond vervolgens ondersteboven te beëindigen, dachten we het adagium “Als de kat van huis is, et cetera” toe te passen, maar hier – op 10.000 kilometer van huis – bleek de kat helemaal niet heen te zijn. In het charmante café ‘Le passage du Chat Blanc’ werden we op de drankkaart verrast door talloze exotische cocktails, zij het telkens vermengd met Belgische bieren. Vooral ‘Le Chat Blanc’, bestaande uit Hoegaarden, vodka en triple sec, viel in de smaak.
Tel daar nog enkele pitchers bier bij en het is niet verwonderlijk dat (na een rozenzachte slaap) daags nadien de vuilnisemmer op ons appartement door een niet nader genoemde compagnon niet enkel gebruikt werd om zijn bananenschil in te deponeren.
Dag 3⃣: Voor het eerst (letterlijk en figuurlijk) in de ☁ vertoeven
De echte aftrap van het avontuur. Nadat we gedurende vijfentwintig kilometer op de ringweg een tiental Saint(e)-genaamde dorpjes voorbijgecruised waren (er zijn écht bijna geen niet-heilige dorpen op Réunion, buiten ‘Le Tampon’ dan) en we net voorbij Saint-André landinwaarts en -opwaarts gedraaid waren, kalefaterden we allemaal op toen een watervalletje dwars over de weg onze auto zegende.
Bestemming van dienst na de natuurlijke carwash was Hell-Bourg, dat met recht en rede op de officiële lijst van ‘Les plus beaux villages de France’ prijkt (samen met 157 andere Franse pittoreske dorpjes). Het ravissante Hell-Bourg ligt op 1.344 meter boven zeeniveau. En dat op amper een uurtje rijden van onze vertrekplaats die ochtend. Het was onze eerste kennismaking met het grillige Réunionese binnenland.
Die oeroude bergachtige aanblik betoogt een korte geologische duiding, al probeer ik de les geschiedenis tot een absoluut minimum te herleiden. Zo’n drie miljoen jaar geleden braakte een onderzeese hotspot de eerste lavastromen boven de Indische Oceaan uit, waar na een stollingsproces van lange adem de bergketen Piton des Neiges (en globaler gezien Réunion) uit ontstond.
Na onnoemelijke megalomane uitbarstingen verloor de Piton zo’n 20.000 jaar geleden zijn levensvreugde, om zijn huidige top op iets meer dan 3.000 meter hoogte te verkrijgen. Met omringend drie prachtig geërodeerde kraters die natuurlijke amfitheaters vormen: de Cirque de Salazie (in het noordoosten), de Cirque de Cilaos (het zuidelijke stuk) en als meest magnifieke de Cirque de Mafate (in het noordwesten). Om het schouwspel nog meer bravoure te geven, vormde zich in de tussenperiode zo’n half miljoen jaar geleden een tweede vulkanisch massief ten zuiden van deze eerste vurige gigant. Die Piton de la Fournaise is tot op de dag van vandaag wel nog heel actief (zoals we aan den lijve konden ondervinden).
Genoeg geologie, terug naar de natuurpracht van de derde dag. Hell-Bourg kijkt schitterend uit op de noordelijke Cirque de Salazie en leent zich uitstekend tot wonderlijke wandelingen. Ideaal als opwarmertje voor de rest van de reis, al doet de naam ‘opwarmertje’ oneer aan de betreffende wandelpaden (en het gevoel in de kuiten nadien).
Het meest toegankelijke wandelpad is de ‘Trois cascades’, dat zich na een enorm steile start een weg baant langs, onder en over huizenhoge bamboebomen, vooraleer aan te komen bij la-Vièrge-les-pieds-dans-l’eau. De naam van die goddelijke maagd spreekt boekdelen en deed ons een dankgebedje prevelen.
Onze gereinigde voeten gaven ons zin om meteen erna nog een krachttoer uit te halen: de 7,5 kilometer lange beklimming richting het Forêt de Bélouve, een ongerept oerbos dat het centrum van het eiland vormt. Het pad op zich was niet van de poes (wat wil je als je overal langs de beboste wanden wegwijzers met ‘kilomètre vertical’ ziet opduiken), maar wel van de hond blijkbaar, want één van onze reisgezellen zag zijn weg even versperd door een moorddadige hond (die in werkelijkheid veel weg had van een uit de kluiten gewassen chihuahua).
Eens die honde horde genomen, slalomden we ons een weg over rotsblokken, boomwortels en een verkoelend stroompje. De aanblik van bovenaf op Hell-Bourg en bergrijke contreien was adembenemend, maar hoe hoger we klommen, hoe meer we ons letterlijk in de wolken waanden. Op de top aangekomen leerden we een vitale Réunionese les: het eiland is voorbestemd voor vroege vogels, want na het middaguur zijn quasi alle hooggelegen plateaus omgeven door een sluier wolken. Al hadden ook die nevels absoluut hun mysterieuze charme.
Tijdens de afdaling maakten de cumuli plaats voor een invallende duisternis en knorrende magen. In Hell-Bourg bleek rond 20 uur enkel nog het plaatselijke hotel over voldoende proviand te beschikken, dus keuze te over qua eetgelegenheid was er niet. Maar beklagen deden we ons die opgedrongen keuze allerminst. In ‘Le Relais des Cimes’ lieten we ons voor het eerst vergasten en overdonderen door de rijkelijk smakende Creoolse keuken, die het beste van de Indische, Afrikaanse en Franse eetwerelden samenbrengt.
Als kers op de taart – of liever smaakmaker op de rijst – deed ‘piment’, een pittige plaatselijke peper, zijn intrede in ons smakenpallet. Tot op de dag van vandaag doe ik ook thuis op zowat al mijn gerechten een mespuntje piment. Verrukkelijk pikant! Een volstrekt van lichtpollutie gevrijwaarde sterrenhemel (met alle sterrenbeelden op zijn kop ten opzichte van het noordelijk halfrond) maakte de avond nadien helemaal perfect gekruid.
Dag 4⃣: Springen, zwemmen, klimmen en glijden in het waterige ❤ van het eiland
Op onze vierde dag stond met de afdaling van de Trou Blanc-canyon de activiteit op de agenda waar ik het meest had naar uitgekeken en waarvoor sommige moeders hun hart al dagenlang vasthielden. Zo werden er zelfs repatriërings- en levensverzekeringen afgesloten. Gelukkig (en logischerwijze) hoefden die niet aangesproken te worden, want het werd een spetterende dag vol adrenaline.
Voor dag en dauw nam onze guitige gids Louis ons mee naar het hart van de Cirque de Salazie, aan de voet van de wonderlijke Piton des Neiges. In een diep uitgesneden landschap met langs beide zijden rotsen die tot wel honderd hoog de lucht in priemden, doken we het verfrissende water van de Trou Blanc in. Enkele bijnamen van die bergstroom luiden “La perle du canyoning à la Réunion” en “Un vrai aqualand”.
En dat aqualand deed zijn naam alle eer aan: vier uur lang gleden we langs natuurlijke glijbanen naar beneden, sprongen we van metershoge rotsen diep in het water, genoten we tijdens enkele rappels zowel van het verbluffende landschap boven ons als van de watervallen die op onze helmen neergutsten, kregen we al zwemmend enkele liters van het zuiverste bronwater binnen, kwamen we al rollebollend in een ware ‘wasmachine’ terecht en kende onze adrenalinerush een ontknoping met een death ride met waterlanding.
Deze slideshow vereist JavaScript.
Het is nagenoeg onmogelijk om die adembenemende waterafdaling accuraat te beschrijven, vandaar bovenstaande fotoslideshow en onderstaande spetterende video’s. Het gevoel van je enkele uren totaal over te leveren aan de stromende natuurelementen, aan de instructies van een (top)begeleider en aan je eigen doorzettingsvermogen, is gewoonweg “wow”. Een ab-so-lu-te must do als je naar La Réunion op vakantie gaat! En alsof dat alles nog niet perfect genoeg was, deed Louis ons uitgeleide met een koelbox vol welverdiende Dodo’s.
‘De wasmachine’ deed zijn naam alle eer aan:
Een salto vanop een 8 meter hoge glibberige rots? Geen probleem!
Met het hoofd vooruit de laatste glijbaan af:
Dag 5⃣: 💦 en 🔥 gaan hand in hand op de Lavaroute
Nadat onze benen en armen de voorgaande twee dagen al hun deel van het wellustige werk hadden mogen opknappen, lieten we vandaag vooral de motor van onze witte bolide en de gestolde restanten van de Piton de la Fournaise ronken. Vanuit Saint-Benoit zetten we koers naar het ruige zuiden.
Terwijl in onze rechterooghoek de Piton de la Fournaise constant 2.600 meter boven ons uittorende, volgden we de exuberante lavalittekens die die vulkaan de voorbije decennia heeft achtergelaten. De Lavaroute strekt zich over een lengte van 25 kilometer uit, een zone die niet voor niets ‘Le Grand Brûlé’ genoemd wordt. Eigenlijk valt gedurende al die kilometers je mond open van de gestolde, zwartgeblakerde lavawoestijnen. Om de haverklap vind je bordjes die een nieuwe uitbarsting markeren. De meest impressionante restanten zijn de ‘coulées de lave’ van de volgende drie jaartallen:
1977, toen het dorpje Sainte-Rose tot een maanlandschap herschapen werd. 41 jaar geleden overspoelde de lava grote delen van dat dorp, om plotsklaps tot stilstand te komen vlak voor de kerk. Halleluja!
1986, toen de vulkaan de Napoleonistische expansietoer opging. De vulkaanuitbarsting was zo krachtig dat de lava tot in de Indische Oceaan stroomde en het grondgebied van La Réunion met enkele are uitbreidde. Een heel leuke maanwandeling leidt via een veld vol inuksuk (gestapelde stenen) en enkele wel heel volhardende plantjes naar die lava-uitstulping van het land, die als de Pointe de la Table bekend staat.
2007, toen de inwoners van het ‘woeste zuiden’ – die nochtans niet voor een vulkaanuitbarsting meer of minder vervaard zijn – voor het (voorlopig) laatst echt de stuipen op het lijf werden gejaagd. Het duurde uiteindelijk zeven maanden voor de totaal met magma overspoelde ringweg weer geopend werd.
Die eeuwige restanten van het geweld van de Piton de la Fournaise deden onze kuiten nog meer jeuken om ’s anderendaags de vulkaan te bedwingen. En wisten wij op dat moment veel dat we zelf bevoorrechte getuigen zouden worden van een sublieme eruptie.
Niet enkel de god van het vuur Hephaistos kon zich op dit stipje van de aardbol uitleven, maar ook Poseidon voelde zich er als een vis in het water. Réunion herbergt honderden kletterende watervallen. Twee ervan stortten vandaag duizenden liters voor onze ogen uit. Bij het idyllische Anse des Cascades vormen de feeërieke, rustig neerdalende watervalletjes een schril contrast met de oceanische golven die amper enkele meters verder met een reusachtige kracht tegen de lavakusten botsen.
Voor we als dagafsluiter de meest beroemde waterval van het eiland – Le Grand Galet – konden bezichtigen, moest onze Dacia Sandero eerst een quasi loodrechte muur van haarspeldbochten bedwingen. Hetgeen onze auto uiteraard met verve volbracht. Het uiteindelijke uitzicht op de 90 meter hoge en zich continu vertakkende waterval was de spectaculaire rit meer dan waard. Met ons hart vervuld van vuur en water (en onze maag weer excellent gevuld door een Creools kokende oma) bereikten we via het absorberende stadje Le Tampon de hoogvlakte van La Plaine des Cafres, waar ons bedje gespreid stond.
Dag 6⃣: En dan sta je opeens op één van de meest actieve vulkanen ter wereld
Van dat gespreide bedje konden we maar een handvol uren genieten, al talmde geen der onze vier zielen daar maar een sikkepit om. Om exact 5 uur ’s ochtends zetten we koers naar de al vaak geciteerde Piton de la Fournaise. Een (ochtend)mens moet wat er wat voor over hebben om een wolkenvrij uitzicht te hebben vanop 2.600 meter boven zeeniveau.
Niet enkel de eindbestemming, maar ook de weg ernaartoe ontlokte bewonderende blikken. De haarspeldbochten in La Plaine des Remparts, het uitzicht vanaf Nez de Boeuf op de in roze ochtendgloren gehulde bergen en vooral het laatste onverharde gravelstuk met de toepasselijke naam La Plaine des Sables (dat perfect als decor voor de Star Wars-planeet Tatooine kon dienen) deden onze opwinding nog toenemen.
En toen moesten we nota bene nog de drie uur durende wandeltocht naar de vulkaankrater aanvatten. Startpunt van die enig mooie – en toegegeven, ook lastige – etappe is de Pas de Bellecombe. Vanaf deze natuurlijke omwalling, die honderd meter boven de krateromgeving uitsteekt, leidt een wenteltrap bijna loodrecht de klif af naar het wandelpad in de ‘Enclos Fouqué’-caldera.
Op een eerst licht golvend, maar al gauw steiler lopend pad klauterden we naar de grootste krater van de Piton de la Fournaise, terwijl stoomwolken en nog gloeiende gestolde lava het tafereel extra cachet gaven. Van enige flora was hier geen sprake meer. Na een laatste krachtmeting bereikten we het Balcon du Dolomieu, vanwaar een reusachtige krater de diepe ingewanden van de vulkaan induikt.
Deze slideshow vereist JavaScript.
Opmerkelijk aan de beklimming van deze vulkaan, is dat mensen van allerlei pluimage zich ertoe aangetrokken voelen. Zowel een groep schoolkinderen op Crocs (die zich wellicht niet veel verder dan het licht golvende stuk hebben gewaagd) als enkele ultralopers die in een voormiddag tot twee keer toe de vulkaan opflitsten, kruisten ons pad met een vriendelijke ‘Bonjour’. Gedurende de afdaling dansten onze enkels enkele keren vervaarlijk de chachacha, maar het bedwingen van een vulkaan die al 500.000 jaar actief is, mochten we vol voldoening afvinken.
Wie had toen gedacht dat we daar amper vier dagen later opnieuw zouden staan, met onze mond nog veel meer vol tanden?
Dit bord bleek enkele dagen later wel heel profetisch:
Dag 7⃣: “Op de zevende dag rustte Hij van Zijn werken (en dronk hij rum)”
Na drie actieve, energieabsorberende dagen was een lange nachtrust welgekomen. De buizen van vijf liter bier van Malagassische makelij die we ’s avonds – al nagenietend van de vulkanische vergezichten – soepel lieten binnenstromen, bevorderden die nachtrust. Het was ’s anderendaags dan ook pas iets voor de noen dat we onze nieuwe verblijfplaats Saint-Pierre, de op één na grootste stad van het eiland, gretig gingen verkennen.
Saint-Pierre bevindt zich aan de zuidwestkant van La Réunion, waar de lavavelden plaatsmaken voor zwoele zandstranden. Onze eerste stop was het langgerekte Plage de Grande Anse. Aan palmbomen, zand en rustig aanzwellende golven geen gebrek, maar onze zwemplannen werden verstoord door (de mogelijke nabijheid van) haaien. La Réunion beschikt over een tiental fantastisch idyllische stranden als deze, maar bijna overal wapperde gedurende onze reis de oranje vlag die op haaien wijst.
Omdat ‘als haaienmaal fungeren’ niet meteen op onze bucketlist stond, deden we er verstandig aan die raadgeving niet in de wind te slaan. Achteraf bekeken bleek de beste stek waar we wel gezwommen hebben Alizé Plage, grenzend aan de stadskern van Saint-Pierre, waar een uitgebreid koraalrif de zwemmende aaseters op veilige afstand houdt. Als fervente fans van de Corsicaanse zangeres Alizée Jacotey hadden we dat eigenlijk al op voorhand kunnen weten.
Absoluut niet getreurd over waterpret die wat in het water gevallen was, want in de late namiddag vonden we met de rumdistilleerderij Saga du Rhum al een andere activiteit die ons deed watertanden. Een interessante interactieve rondleiding in het museum gidste ons van de suikerrietplantages (die een groot deel van het eiland beslaan) over de mengprocessen tot de uiteindelijke proeverij. Zowel de traditionele rumsoorten als de ‘rhums arrangés’ (die maandenlang de aroma’s van diverse fruitsoorten absorberen) vielen in de smaak. Zo zeer zelfs dat we in de strategisch geplaatste boetiek een klein voorraadje rumflacons insloegen.
Deze relatieve relaxdag sloten we af met een gedurfd spelletje op de landtong Pointe du Diable (niet te verwarren met de eerder bezochte Pointe de la Table), met een schilderachtige zonsondergang en met één van de allerbeste maaltijden van de reis. De ‘carry camarons’ met aangepaste wijn in het authentieke restaurant Kaz à Lea (in het centrum van Saint-Pierre) doet me bijwijlen nog het water in de mond krijgen.
Dag 8⃣: Klim naar onbekende hoogten, Piton des Neiges (deel 1)
Om op Bijbelse leest geschoeid te blijven in de aanvangszin van de dag, brak vandaag de Dag des Oordeels aan. We keken allen met enorm veel goesting en verwachting, maar – ik denk dat ik voor ieder van ons mag spreken – ook met een niet geringe portie onzekerheid (en sommigen zelfs doodsangst om letterlijk dood te vriezen) uit naar onze tweedaagse trektocht in het ongerepte hart van het eiland.
Oorzaak (en doel) van deze hoopvolle zenuwachtigheid: de beklimming van de Piton des Neiges, met zijn 3.070 meter de hoogste piek van Réunion. Een overnachting met zicht op de top stond gepland in de Gîte du Caverne Dufour (waar het naar verluidt – of toch zeker in enkele nachtmerries de voorafgaande maanden – ’s nachts kouder is dan op de Zuidpool). Dat we over degelijke wandelbenen beschikken, hadden we al verscheidene keren bewezen, maar vandaag en daags nadien zouden onze trekkersbenen uitvoerig getest worden.
Licht gepakt en gezakt (met enkele reservekleren, voldoende water, koplampen en onze rumvoorraad om onze innerlijke motor ’s nachts op toerental te houden) vertrokken we kort na de middag uit het bergdorpje Cilaos de steile bergwand op. Deze beklimming van een vijftal uur laat zich heel moeilijk onder woorden brengen, want dit is écht iets wat je gewoon gedaan moet hebben om het gevoel van voldoening en de onmetelijke uitzichten over het hele eiland te bevatten. Toch doe ik een summiere poging.
De etappe van de eerste dag, vanaf startpunt Le Bloc op 1.380 meter hoogte tot aan de overnachtingshut, kenmerkt zich door zijn meedogenloze start. Het wandelpad, dat zich zowel in de gedaante van aangestampte aarde, rotsblokken als natuurlijke en kunstmatige ladders profileert, is absoluut doenbaar voor iedere doelbewuste wandelaar, maar toont vanaf de eerste meter geen genade met zijn steiltegraad. De uitdrukking ‘vals plat’ staat alleszins niet in het woordenboek van de Piton des Neiges.
Vergezichten zijn schaars op de beboste flanken, maar eens om de twintig minuten is het verbazingwekkend hoeveel dieper de Cirque de Cilaos zich iedere keer weer in de afgrond stort. Halverwege deze eerste dagtocht bood een waterstroompje welgekomen verfrissing, waarna een tiental heuse haarspeldbochten en drie ladders de exponenten vormden van het eerste deel van onze onderneming.
Na vier uur plezierig zwoegen doemde over de richel van de bergflank een boulevard naar onze gîte op. De eerste vreugdekreten werden geslaakt! De piek van de Piton des Neiges lachte ons al van bovenaf toe.
So far, so good! En ook de gevreesde ijskoude temperaturen die ons de levensadem zouden ontnemen, bleken reuzegoed mee te vallen. Iedereen kreeg bovendien twee donsdekens waar Roald Amundsen en John Franklin jaloers op zouden zijn geweest. Na de geruststelling dat we hier niet gemummificeerd zouden worden, verliep ook de rest van de avond schitterend: het diner was copieus, een Duits koppel wou ons bijna adopteren en al kaartend en rumnippend sloten we als laatste niet-snurkend viertal de gîte af.
Dag 9⃣: Klim naar onbekende hoogten, Piton des Neiges (deel 2)
Hoe mooi de eerste dag op grote hoogte ook eindigde, des te verbluffender waren de eerste (nog heel donkere) aanblikken van de tweede bergdag. In normale omstandigheden is opstaan om twee uur ’s nachts om de aardappelen af te gieten geen cadeau, maar dit keer bleek het een waar godsgeschenk.
In de verder totale duisternis viel naast de blinkende sterren nog een andere lichtbron op. Dertig kilometer in vogelvlucht naar het zuidoosten wakkerde een mysterieus felrood schijnsel aan de horizon, exact waar we drie dagen geleden stonden. De Piton de la Fournaise was aan het uitbarsten!
Met deze rode lavagloed voor ogen dommelde ik nog enkele uren in, alvorens we om vijf uur de wakkere focus weer helemaal verlegden naar het bedwingen van de Piton des Neiges. Waar de beklimming van de beboste bergwand zich daags voordien typeerde als bijwijlen lastig, mochten we voor het laatste rotsachtige stuk de term ‘uitdagend’ in ons woordenboek opzoeken. Vooral het eerste deel kenmerkte zich niet meer zozeer door een pad, maar wel door van het ene ietwat losliggende rotsblok naar het andere te moeten springen.
Knots- of beter rotsgek zouden sommigen het noemen, maar het geeft zo’n kick om meter voor meter opwaarts progressie te maken! In het nachtelijkste zwart zagen we voor onze voeten een uur lang enkel een ovaal stuk van twee meter steengruis dat door onze koplamp opgelicht werd en voor en achter ons de felle schijn van een twintigtal gelijkaardige lichtbundels.
Toen de koplampen gestaag hun levensnoodzakelijke functie verloren ten voordele van de eerste schemerende zonnestralen, was het wonderbaarlijk om achterom te zien welke rotsige knoert we zojuist bijna blindelings bedwongen hadden en hoe de allerhoogste bergtop binnen een straal van meer dan duizend kilometer slechts op enkele slingerbewegingen van ons verwijderd was.
Het eigenlijke moment waarop we de laatste stap bergopwaarts zetten en we zicht hadden op het volledige Île de la Réunion, met de drie grote caldera’s in de nabijgelegen diepte, is niet in één bestaand woord te vatten. Verbazing. Voldoening. Grootsheid. Nietigheid. Het zijn allemaal gevoelens die we een uur lang op de top (en voor eeuwig in gedachten) vasthielden, vooraleer we weer met de voeten op aarde de verraderlijke afdaling inzetten. Want steengoeie herinneringen kunnen eeuwig opgeroepen worden, maar een grollende maag die na een lastige wandeling nood heeft aan een ontbijt, kan de koffiekoeken van daags voordien helaas niet opnieuw oproepen.
Deze slideshow vereist JavaScript.
Dag 1⃣0⃣: Hoogconjunctuur blijft aanhouden, met vulkanische apotheose
Het laatste drieluik van onze Elysische reis beleefden we niet meer vanuit een bivak op 2.000 meter hoogte, maar wel vanuit de noordwestelijke badplaats Saint-Gilles-les-Bains, op anderhalf uur rijden van het bergdorp Cilaos. Het temmen van de Piton des Neiges had onze benen nog niet helemaal afgesneden, want toen we ’s avonds onderuitzakten in ons comfortabele appartement, werden voor de aankomende tiende dag al bijna even ambitieuze plannen gemaakt.
De Cirque de Mafate, die we nog maar net vanaf de hoogste top hadden aanschouwd, wilden we ook aan een westelijke en noordelijke blik onderwerpen. Kun je je inbeelden hoe indrukwekkend een kraterlandschap van miljoenen jaar oud kan zijn dat je het vanaf drie verschillende plaatsen wil aanschouwen?
De tocht richting het feeërieke westelijke uitzichtpunt van de Maïdo-hoogte verliep dit keer niet al puffend met de benenwagen, maar wel al zachtjes tuffend doorheen bergdorpjes. Op het wegennet van La Réunion is werkelijk niets aan te merken, want zelfs op meer dan 2.000 meter hoogte liggen de haarspeldbochten er nog steeds perfect geplaveid bij.
Het uitzicht vanaf Maïdo gedurende de wolkenvrije ochtend was er alweer één om stil van te worden. Aan de einder doemde de ontiegelijk hoge berg op die we daags voordien nog bedwongen hadden, terwijl in de reusachtige vallei ervoor diverse lommerrijke plateaus oprijzen uit de vulkanisch geërodeerde diepten, waar diverse watervallen en stroompjes al millennia lang gedijen zonder enige tussenkomst van buitenaf.
Op die plateaus honderden meter onder ons, tekenden zich de daken van de meest afgelegen dorpjes af die je je maar kan voorstellen. De afgesneden nederzettingen luisteren naar namen als Grand Place les Hauts (dat zijn naam eer aandoet met een dozijn inwoners), Îlet à Déjeuner (er wacht je wel een heel fikse wandeling van enkele uren voor je er kan ontbijten) en ‘hoofdstad’ La Nouvelle.
In deze op het eerste, tweede en triljoenste zicht fascinerende, maar weinig herbergzame kraterdorpjes vonden honderden jaren geleden slaven een toevluchtsoord. De dag van vandaag zijn hun nazaten nog steeds grofweg van de buitenwereld afgesloten, want enkel via smalle bergpaden of met een helikopter zijn deze dorpjes toegankelijk. Het valt dan ook te betwijfelen of Uber Eats hier snel zal leveren.
Vanaf de Cap Noir in Dos d’Ane – in vogelvlucht een kleine tien kilometer, maar over land een uur rijden vanaf Le Maïdo – strekte een al even adembenemend landschap zich onder ons uit. “Meer van hetzelfde”, zou je kunnen denken, maar dat doet de grillige pieken, de groene oases en de piepkleine lappendekentjes met bebouwing in de diepte alle oneer aan. Je kunt de Cirque de Mafate dagenlang van bovenaf bewonderen en nog elke minuut versteld staan.
Terwijl we tegen de middag de Cirque de rug toekeerden, werd mij iets duidelijk dat eigenlijk al vanaf de derde dag op het eiland aan het sluimeren was. Hier, naar deze onbeduidende stip op de aardbol, kom ik in een niet zo verre toekomst absoluut nog terug. En dan staat een meerdaagse ontdekkingstocht naar de afgelegen dorpjes in het hart van het eiland alvast aangekruist.
Ondanks de legio majestueuze momenten van voldoening en verrukking die ons op een grote week tijd al gegund waren, was onze honger naar natuurpracht en -macht nog niet gestild. Zeker niet wanneer de lokale Peter Van de Veire op de autoradio in vuur en vlam de nog steeds uitbarstende Piton de la Fournaise bewierookte. De gigantische rookpluim die we twee nachten ervoor vanaf de Piton des Neiges zagen uitgebraakt worden, was dus nog steeds laaiend actief.
Als je beseft dat de vulkaan gemiddeld één keer om de negen maanden uitbarst, dan hadden we hier het geluk immens aan onze zijde. Die unieke mogelijkheid om de opborrelende natuurelementen van nog naderbij aan het werk te zien, konden we dan ook niet in rook laten opgaan.
En zo geschiedde: een tocht van een dikke twee uur later, dokkerden we net als vier dagen voorheen over het maanlandschap van La Plaine des Sables. Dit keer was niet de diepe kratervlakte van de Piton de la Fournaise zelf, maar wel de omliggende richel ons einddoel.
Dat we niet doelloos zouden moeten zoeken naar de perfecte trail op weg naar het beste uitzicht op de uitbarsting, werd al heel snel duidelijk. Honderden andere nieuwsgierige wandelaars gaven aan waar de lamp brandde. Na een kwartier stappen ging de temperatuur voor het eerst letterlijk en figuurlijk fel de hoogte in. De aanblik van de uitbarsting was toen nog heel veraf, maar wel al immens impressionant.
Terwijl we vervolgens een uur lang de honderd meter diepe vulkanische afgrond veilig bleven omcirkelen, werd elke decameter het plaatje onwezenlijker. Tot we uiteindelijk op nog geen tweehonderd meter voor ons de gloeiendhete lava metershoog uit de pas gevormde krater zagen uitgestoten worden, om zich vervolgens als ware het een iconische scène uit The Lord of the Rings in een nietsontziende oranje stroom een weg richting de oceaan te banen. We zagen Frodo en Sam nog net niet gered worden door adelaars.
Een vurige foto-impressie van de uitbarsting:
Deze slideshow vereist JavaScript.
Voeg bij die sublieme aanschijn van uniek natuurgeweld nog een ondergaande zon achter de hoogste vulkaantoppen en je tekent een fluorescerend schouwspel dat voor eeuwig op je netvlies gebrand staat. Het zal wellicht niemand verbazen dat enkele uren later de vurigste der dromen onze nachtrust doorkruisten.
“F*ck, dat wordt hier epischer met de seconde”, een perfecte beschrijving van onze ervaring:
En omdat we er niet genoeg van krijgen, nog een keer het journaalitem over de uitbarsting:
Dag 1⃣1⃣ en 1⃣2⃣: Waanzinnig afsluiten, heet dat dan…
Over vuur gedroomd en gesproken: op onze laatste volledige dag op het wonderlijke eiland beleefden we nog een prachtige afsluiter met onze vuurdoop in de lucht. Vergezeld door vier sympathieke luchtacrobaten, die onderweg oprecht geïnteresseerd waren in de communautaire strubbelingen in België, begaven we ons vanuit het kustdorpje Saint-Leu richting de hoogvlakte van La Chaloupe, op 1.500 meter boven zeeniveau. Ditmaal niet om er onze wandelschoenen aan te knopen, maar wel om een halfuur lang over de westelijke helft van La Réunion te zweven.
Enkele weinig verblufte koeien zagen hoe ons gezelschap hun hooggelegen territorium enkele minuten innam, er vier reusachtige parapenteschermen uitgevouwd werden en we vervolgens één na één des te verblufter de afgrond afholden. Om enkele seconden later geen grond, maar anderhalve kilometer lucht onder onze voeten te zien. Dat alles uiteraard achternagezeten door een begeleider aan wie we ons leven een halfuur lang zouden toevertrouwen.
De parapentevlucht zelf omschrijft zich het best als een combinatie van pure adrenaline enerzijds en dolce far niente anderzijds. Nadat de overgang van staand naar vliegend wezen bevattelijk was geworden, was het minutenlang intens genieten van de vulkanische hellingen die achter ons oprezen, van de honderden nietig lijkende suikerrietvelden die onder ons voorbijgleden en van de azuurblauwe oceaan die elke minuut dichter opdoemde.
DCIM999GOPRO
DCIM999GOPRO
DCIM999GOPRO
Alsof dat nog niet genoeg genot veroorzaakte, mochten we van onze begeleider letterlijk zelf de touwtjes in handen nemen. En als absolute klap op de vuurpijl verscheen – net op het moment dat we zelf boven de oceaan navigeerden – een walvis met haar jong een kwartier lang boven het wateroppervlak. Zelf cirkeltjes draaien op honderd meter boven een stel walvissen, het was me het avontuur wel.
Met enkele acrobatische luchtfiguren als toemaatje (waarbij wij wijselijk weer een passieve rol innamen) werd de koers richting begane grond ingezet. Een perfecte staande – of bij iemand van ons ‘zittende’ – landing op het strand was symbolisch ook een perfecte landing van een waarlijk wonderlijke reis vol nauwelijks te bevatten natuurpracht, adembenemende avonturen en een innemende lokale gastvrijheid.
Een laatste schilderachtige zonsondergang op La Plage de l’Ermitage, een laatste keer genieten van de keizerlijk gekruide Creoolse cuisine, een laatste aanblik van een tiental nieuwsgierige walvissen tijdens een rondvaart, een laatste keer de golven van de onmetelijke Indische Oceaan tekeer zien gaan op Cap de la Houssaye en enkele laatste Dodo’s in een hoofdstedelijk kafaat (waarbij de barman letterlijk een ‘wow’-gevoel ervoer bij het zien van de Belgische drinkrituelen) vormden de afsluitende luchtbruggen tot de terugreis richting Europees vasteland 10.000 kilometer noordelijker.
Een eiland dat twee weken voordien nog als een onbeduidend ogend stipje aan de andere kant van de aardbol had geschemerd, barst sindsdien als een ruige, maar o zo verbluffende vulkaan uit in ons hart en onze herinneringen. La Réunion lé la!
De hoogtepunten van La Réunion in kaart gebracht:
Afsluitende voetnoot: Bovenstaand epistel is een relaas van een paradijselijke reis zoals die in mijn geheugen gegrift staat. Uiteraard moesten we ook onze overnachtingsplaatsen vastleggen, inkopen doen en ons meerdere keren daags insmeren tegen ‘dengue’ (knokkelkoorts). Als je een reis naar La Réunion overweegt (groot gelijk!), mag je me altijd contacteren voor praktische tips.